Gemeenten zoeken naar juiste aanpak overlastveroorzakers: Tussen nieuw-streng en hoffelijkheid

Lange tijd stond het 'zero-tolerance'-beleid in het New York van burgemeester Rudolph Guliani model voor de aanpak van overlastveroorzakers. Het snel en hard straffen van overtredingen zou erger kunnen voorkomen. Na jarenlange discussie ontwikkelt Nederland zijn eigen poldermodellen die zich afspelen tussen nieuw-streng en nieuwe hoffelijkheid. 'Met hard straffen alleen kom je er niet.'

Onder de noemer ‘Nieuw streng op straat’ trok de

Leeuwarder politie drie jaar geleden al de touwtjes strakker aan. Aanleiding was

de dood in 1997 van Meindert Tjoelker, een slachtoffer van geweld op straat.

Samen met de gemeente, de horeca, het onderwijs en buurtverenigingen lanceerde

de Leeuwarder politie in korte tijd het project ‘Nee! tegen geweld’ met daarin

43 actiepunten om de fatsoensnormen te herstellen. Meer toezicht op straat,

introductie van agenten op scholen, gedragsregels in cafés en discotheken en

striktere sluitingstijden zijn maar een greep uit de maatregelen. Met de

introductie van het ‘nieuw-streng’-beleid maakte de Friese hoofdstad ook met

overlast, baldadigheden of agressief gedrag korte metten. Wie een politieagent

uitscheldt, kan rekenen op een boete van vijfhonderd gulden. Een wildplasser

krijgt subiet tachtig gulden aan de broek. ‘We zijn duidelijker in wat we niet

meer tolereren. Tot voor kort rustte er een taboe op normerend optreden, dat

hebben we met dit beleid achter ons gelaten,’ aldus politiewoordvoerder Peter

Boomsma.

Stadsetiquettes

In veel steden opteren bestuurders en maatschappelijke instanties voor

maatregelen als een lik-op-stuk beleid, camera-beveiliging en meer politieel

toezicht. De Leeuwarder term ‘nieuw streng’ lijkt goed gekozen, want een echt

zero-tolerancebeleid wordt vrij algemeen als on-Nederlands afgewezen. In de

enkele stad waarbij een nul-komma-nul tolerantie wel is ingevoerd geldt het maar

voor een beperkt aantal onveilige plekken, zoals uitgaansgelegenheden in de

weekends of tijdens risicovolle evenementen. Zelfs in Den Helder, waar de aanpak

van de Falgabuurt vaak als voorbeeld van zero-tolerance wordt aangehaald, is men

huiverig voor associaties met Amerikaanse toestanden. Martin Wieringa,

beleidsmedewerker openbare orde en veiligheid: ‘Je moet voorkomen dat het middel

erger wordt dan de kwaal. Op het moment dat de zaken in de Falgabuurt uit de

hand dreigden te lopen, hebben we een tijdje hard ingegrepen en de

tolerantiegraad van een aantal specifieke overtredingen tot nul gereduceerd. Dat

vind ik heel wat anders dan een rigoureus zero-tolerancebeleid. Toen er eenmaal

rust aan het front kwam, is het handhavingsbeleid in de Falgabuurt weer

genormaliseerd.’

In plaats van zero-tolerance of nieuw-streng heeft Rotterdam een geheel

eigen invulling gegeven om het fatsoen weer op de agenda te zetten. Ongeveer een

jaar geleden opperde wethouder Herman Meijer het idee voor een stadsetiquette,

waarbij bewoners onderling afspraken maken over omgangsregels. De nieuwe

hoffelijkheid was geïntroduceerd. Per straat of per buurt worden bewoners

uitgenodigd voor bijeenkomsten om met elkaar te praten over de wensen en

verwachtingen die er over en weer leven. Achterliggend idee is mensen langs deze

weg te stimuleren meer rekening met elkaar te houden, hoffelijker te worden en

daarmee de leefbaarheid verbeteren. Onder auspiciën van projectleider en

psycholoog René Diekstra zijn als eerste in de wijk Delfshaven dergelijke

gesprekken gevoerd.

Op de startbijeenkomst zitten er alleen bewoners aan tafel en in een

volgend gesprek worden er instanties bij gevraagd. Wie dat zijn, hangt af van de

onderwerpen die bewoners aangekaart hebben. Paul Trienekens, woordvoerder van de

gemeente Rotterdam: ‘De discussies die tot nu toe gevoerd zijn, gingen over de

meest uiteenlopende onderwerpen, zoals het neerzetten of juist laten slingeren

van afval, het volume van muziek, parkeren op de stoep, maar ook over de vraag

of men elkaars kinderen kan corrigeren zonder dat dit tot hoog oplopende ruzies

leidt. Soms spreken bewoners elkaar voor het eerst. Dan kan de winst al zijn dat

ze elkaar op straat groeten of dankzij zo’n contact wel de stap zetten om iets

aan te kaarten. In een tweede gesprek kunnen ook vertegenwoordigers van

instanties aanschuiven. Bijvoorbeeld een vertegenwoordiger van de

reinigingsdienst die uitlegt hoe ze werken of die meepraat over oplossingen voor

het vuil op straat.’

Vooroordelen

Uit de verschillende initiatieven – ook andere steden ontwikkelen hun

eigen aanpak – spreekt een voortdurend zoeken waar en in hoeverre een harder

beleid bruikbaar is. Volgens onderzoeker Joyce Hes van de Universiteit

Maastricht is een zero-tolerance-achtig beleid in achterstandswijken op langere

termijn in ieder geval niet te handhaven. Uit haar recente onderzoek naar de

handhaving en beleving van recht in de Indische Buurt in Zwolle blijkt dat er

veel te zeggen is voor een persoonlijke benadering of een creatief omgaan met

bestaande regels. Een strenge toepassing van de regels moet volgens haar beperkt

blijven tot een aantal situaties.

Hes: ‘Voor uitgaanspubliek in de weekends of bij dreigende rellen met

voetbalsupporters kan het misschien geen kwaad om af en toe heel resoluut op te

treden. Maar als die lijn voor een hele stad gaat gelden, dan is de

uitvoerbaarheid in het geding. Bij problemen in achterstandswijken speelt de

politie dan mooi weer voor de buitenwereld, terwijl zij de hete aardappel

doorschuift naar de wijkagent. Agenten zadel je feitelijk op met een onmogelijke

opdracht. En stel dat de agent in zo’n wijk mensen zwaar moet beboeten als ze

hem uitschelden wanneer ze betrapt worden bij het wildplassen. Hoe willen ze die

boetes innen in een buurt waar mensen weinig te besteden hebben. En als ze niet

betalen, ga je ze dan vastzetten?’

Een belangrijk bezwaar van Joyce Hes tegen een streng handhavingsbeleid is

dat het top-down en generaliserend is. Datzelfde manco signaleert ze bij het

hoffelijkheidsoffensief zoals dat in Rotterdam is ingezet. ‘Er wordt daar al bij

voorbaat van uitgegaan dat bewoners in achterstandswijken niet goed met elkaar

omgaan en onhoffelijk zouden zijn,’ stelt Hes. ‘Dat kan in de praktijk nog wel

eens reuze meevallen. Op het stadhuis kunnen ze nog wat leren van de manier

waarop bewoners in die wijken de zaken met elkaar weten op te lossen, dunkt me.

In Zwolle, maar ook in eerdere onderzoeken, heb ik gemerkt dat signalen van

bewoners over dingen die niet goed gaan heel slecht doorkomen. Daar bleek het

grote euvel te zitten in bezwaren die achteloos in de wind worden geslagen en

vragen die onbeantwoord blijven. De mensen voelden zich in hoge mate niet

serieus genomen door instanties.’ Dus: zero-tolerance of nieuw-streng? ‘Dat kan

beter toegepast worden op het functioneren van instanties en het nakomen van

afspraken door overheden,’ aldus Hes. ‘En een hoffelijkheidsoffensief is bestemd

voor de manier waarop ze bewoners tegemoet treden en met hun klachten

omspringen.’

Sleutelposities

Drie jaar geleden is Anneke van der Geest, buurtopbouwwerker in de

Leeuwarder Vrijheidswijk, in de wijk begonnen met portiek- en blokgesprekken.

Het viel haar niet alleen op dat er veel klachten en misverstanden waren. Van

der Geest herkent de constateringen van Joyce Hes. Volgens haar wijzen ook in

haar werk buurtbewoners erop dat er niet echt ingegaan wordt op hun klachten.

‘Het is hier toch een dumpwijk’, of ‘het is hier het putje van de stad, daar

valt geen eer aan te behalen’, wordt zou herhaaldelijk worden opgemerkt. Van der

Geest: ‘De verwachtingen waren veel hoger dan de instanties ooit konden

waarmaken. Bewoners met junks als buren die er een puinzooi van maakten, konden

er niet bij dat die er niet uitgezet werden. Er komt pas een beetje begrip voor

de situatie als de gemeente duidelijk maakt waar de woningcorporatie allemaal

rekening mee moet houden, zoals aantallen klachten, steunverklaringen,

observaties en juridische procedures. Vergeten wordt hoe belangrijk het is dat

je de bewoners op de hoogte houdt en betrekt bij het zoeken naar oplossingen

voor dergelijke situaties.’

Toch onderneemt de Leeuwarder gemeente actie. Ze start nu in de

Vrijheidswijk een experiment om op een samenhangende manier aandacht te besteden

aan ‘ruimtelijke, fysieke, institutionele, criminele en sociale aspecten van de

problemen in de wijk’. Het wijkpanel heeft in de plannen een sleutelpositie

gekregen – de bewonersorganisatie, oudercommissies van scholen, verenigingen,

winkeliers, huurders- en koopwoningorganisaties zijn in het panel

vertegenwoordigd. Van der Geest: ‘Het panel beschikt over zestigduizend gulden

per jaar, dat is tien gulden per inwoner. Maar belangrijker is dat ze nauw

betrokken wordt bij de aanpak in de buurt, en via aanbevelingen aan het

stadsdeelteam invloed heeft op het beleid van de instellingen die daarin

zitten.’

Een digitaal trapveld, een fraai geoutilleerd gebouw in het hart van de

wijk waar langskomende jongeren in de tienerleeftijd intensief gebruik maken van

de aanwezige computerfaciliteiten, is één van de jongste resultaten van het

panel. Wijkagent Erik van der Wal praat daar met een van de jongens die

regelmatig langskomt. Tussen neus en lippen vertelt Van der Wal dat deze jongen

al meer dan een jaar geen school van binnen heeft gezien. Behalve het digitale

trapveld en onder meer een winkelcentrum zijn er meer voorbeelden van een

bredere aanpak van de veiligheid en leefbaarheid in de buurt.

Toch zit het de opbouwwerker dwars dat er vooral in stenen en fysieke

ingrepen wordt geïnvesteerd. Voor de sociale investeringen en betrokkenheid van

de bewoners worden nauwelijks geld en faciliteiten vrijgemaakt. Van der Geest:

‘Ik zou bijvoorbeeld de draad van de poriekgesprekken weer op willen pakken,

twee keer per jaar per portiek of woonblok bewoners bij elkaar aan tafel

brengen, samen afspraken maken en alert reageren als blijkt dat instanties het

laten afweten. Dat is een intensief en duur traject, maar op de langere termijn

heb je er voordeel van.’

Met streng optreden en hardere straffen alleen kom je er niet, zoveel

is Van der Geest wel duidelijk. ‘Maar als bewoners zich in het winkelcentrum

onveilig voelen door rondhangende jongeren en de winkeliers lastig worden

gevallen, dan moet er iets gebeuren. In dit geval is de politie er bovenop gaan

zitten zodra er klachten binnenkwamen, ze ging een tijdje intensiever

surveilleren. Er zijn regels over het gebruik van de winkelwagentjes opgesteld

en een rookverbod ingevoerd. En vanuit het wijkpanel hebben we er samen met de

scholen een aantal activiteiten georganiseerd.’

Resoluut ingrijpen

De Vrijheidswijk is een herstructureringswijk en staat aan de vooravond

van ingrijpende veranderingen. Achter het winkelcentrum wordt puin weggereden,

het zijn restanten van een flatgebouw. Aan de rand van de wijk houdt één bewoner

de sloop van een complete galerijflat tegen. Het zijn voorboden van

herstructureringsplannen die nog altijd niet beklonken zijn. Nog altijd blijft

de vraag wat het wordt: vooral dure nieuwbouw of ook betaalbare vervangende

huisvesting. Wijkagent Van der Wal, in de surveillancewagen door de wijk

toerend: ‘In deze wijk zijn alle mogelijke problemen en probleemgroepen

bijeengebracht. Het is een klein wonder dat het relatief nog zo rustig blijft.’

Elke keer als hij stopt drommen de kinderen rond de wagen. ‘Ze mogen af en

toe een ritje maken’, legt de agent de belangstelling van de jeugd toe. Op een

achteraf pleintje wijst hij op een oude bestelbus in de hoek. De eigenaar woont

in het huis met een stapel houten pallets op de stoep er voor. ‘Soms ligt er ook

nog een stapel oud ijzer naast die hij langs de straat bijeenschraapt. Dat kan

eigenlijk niet, maar die man verdient er zo een paar centjes bij. Toen hij uit

de gevangenis kwam, stond z’n huis propvol dozen met van die cd-schijfjes. Dag

en nacht was het hele gezin aan het inpakken. Als je op zo’n moment alles gaat

uitzoeken, dan is er formeel vast wel het een en ander op aan te merken. Die man

had nog een lijst aan schulden en boetes openstaan, die heeft hij toen keurig

betaald. Kijk dat is ook wat waard. Zoiets bekijk je per situatie, soms ben je

nog verder van huis door domweg een prent uit te delen.’ Toch gaat Van der Wal

dat laatste niet uit de weg. Hij wijst op een karretje van dezelfde man. ‘Die

moet binnenkort weg, of hij wordt weggesleept,’ stelt hij resoluut. Er is

namelijk zojuist een nieuwe verordening over caravans en aanhangwagens die

langdurig geparkeerd staan. Van der Wal: ‘Dat weet hier niemand, dus dat ga je

eerst wel even netjes uitleggen. Maar dan treed je ook resoluut op. Net als in

het winkelcentrum, op een bepaald moment als de veiligheid in het geding is,

moet je een streep trekken en ingrijpen. Als je je populair wilt maken, moet je

niet bij de politie zitten. Maar als je een goed contact met de mensen hebt, dan

accepteren ze ook dat je zo nu en dan resoluut ingrijpt.’/Jasper

Veldhuis

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.