Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Confrontatie tussen dader en slachtoffer heeft pedagogisch karakter: Op weg naar herstel

De justitiële wereld omarmt initiatieven waarin confrontaties plaatsvinden tussen dader en slachtoffer. Onder daders moet het leiden tot minder recidive. En slachtoffers kunnen antwoord krijgen op de vraag waarom hun opponent het delict heeft gepleegd. In Friesland startte dit jaar het Project Herstelrecht, waarbij een gedegen herstelplan moet leiden tot succes.

David is opgefokt. Een paar weken geleden is hij van school gestuurd, terwijl hij dit jaar eindexamen zou doen. Het kan zijn vader niets schelen, maar zijn moeder is teleurgesteld. En nu heeft hij ook nog eens ruzie met zijn vriendin. Hij is boos, heel boos. Hij loopt door de stad en denkt na over zijn mislukte leven. David kijkt niet goed om zich heen en botst tegen een man. In plaats van dat hij zijn excuses aanbiedt, geeft hij de man een klap in zijn gezicht. Dat voelt goed. David geeft de man nog een klap en stompt hem in zijn maag. Vervolgens loopt hij weg, hij is opgelucht. Hij heeft zijn woede geuit. ‘Het slachtoffer werd gehecht in het ziekenhuis. Hij kon een week niet eten en niet slapen. Werd bang op straat. Daar heeft de dader geen weet van gehad. Die verkocht zijn klappen en daarmee was de kous voor hem af,’ vertelt Siety Stapel van de regiopolitie in Friesland. Om daders bewust te maken van de gevolgen van hun gedrag startte de Friese politie het Project Herstelrecht. Dit project confronteert daders met slachtoffers.

Rust creëren

In het Project Herstelrecht werken tien organisaties samen, waaronder Bureau Jeugdzorg, Slachtofferhulp Friesland, de Reclassering en het bureau Slachtofferzaken. Het project krijgt gedurende drie jaar subsidie. Als de resultaten goed zijn, wordt het project landelijk ingevoerd. Vanaf 1 januari is het Project Herstelrecht officieel gestart, met dank aan het Ministerie van Justitie.

Datzelfde ministerie trok vanaf diezelfde datum de subsidie voor andere dader/slachtofferconfrontatie-projecten in. Zo bestaat het Haagse project Herstelbemiddeling niet meer. Sinds 1997 bracht dat project van de Reclassering en Slachtofferhulp daders en slachtoffers bijeen. Antony Pemberton, stafmedewerker onderzoek en beleid van Slachtofferhulp Nederland, vindt het jammer dat het project Herstelbemiddeling gestopt is, toch begrijpt hij de beslissing van het Ministerie. ‘Bij Herstelbemiddeling ging het om zware gevallen: grove mishandeling, moord. Daardoor was de methode heel duur, dat heeft in de beslissing zeker meegespeeld. Bij het project Herstelbemiddeling hebben we weinig confrontaties gedaan, daardoor kun je over de resultaten ook weinig zeggen.’

Maar is het dan niet vreemd dat dit project geen subsidie meer krijgt, terwijl een nieuw, soortgelijk project dat wel krijgt? Pemberton: ‘Dat is niet raar, er zijn namelijk wel grote verschillen tussen beide projecten. Het project Herstelbemiddeling richtte zich op zwaardere zaken. Dader en slachtoffer ontmoetten elkaar één op één. Het was meer een soort confrontatiebemiddeling, en die confrontatie vond lange tijd na de zitting plaats. Herstelrecht heeft een andere opzet. Het is de bedoeling jeugdigen weer op het goede pad te brengen. Daarom zijn niet alleen dader en slachtoffer aanwezig bij de confrontatie, maar ook ouders en vrienden van zowel slachtoffer als dader. Maar beide projecten hebben inderdaad voor een deel wel hetzelfde doel.’ En dat doel is rust geven, zowel aan het slachtoffer als aan de dader.

Wanneer de dader spijt betuigd, kan hij verder met zijn leven. Wanneer het slachtoffer zijn zegje heeft gedaan, kan hij een nare periode misschien achter zich laten. Het Project Herstelrecht richt zich voornamelijk op jongeren, negentig procent is minderjarig. Het gaat dan voornamelijk om geweldsdelicten. De Friese politie benadert jeugdige criminelen. Wanneer deze in een tweegesprek aangeven dat ze hun slachtoffer willen ontmoeten, wordt het slachtoffer benaderd. Als die ook heil ziet in een confrontatie, gaat projectleider Stapel een individueel gesprek aan met het slachtoffer.

‘Omdat dit project niet in de wet verankerd is, moeten de voorwaarden duidelijk zijn. De dader moet het feit bekend hebben, daarvoor de verantwoordelijkheid nemen en bereid zijn tot herstel. Van het slachtoffer wil ik weten of die belangstelling heeft de zaak uit te praten. Wanneer dingen worden uitgesproken, kan het slachtoffer het vaak loslaten, een plek geven. De confrontatie kan ervoor zorgen dat het misdrijf het slachtoffer niet meer hindert in het dagelijkse doen en laten. Vervolgens benader ik de sociale omgeving. Mensen die dicht bij de dader of het slachtoffer staan, zijn vaak ook persoonlijk betrokken. Ouders van de dader schrikken zich vaak een hoedje als blijkt dat hun kind in staat is tot een strafbaar feit.’ Wanneer iedereen bereid is mee te werken, en iedereen de voorwaarden kent, vindt de confrontatie plaats. ‘De dader kan eerst zijn verhaal doen. Hij kan vertellen wat hij gedaan heeft, maar vooral waarom. Gevoelsmatige aspecten komen vaak aan de orde. Vervolgens kan het slachtoffer vertellen wat hem is overkomen en wat daarvan de gevolgen zijn. Als de dader inzicht krijgt in de gevolgen van zijn daad, doet dat wat met hem. Dit heeft een pedagogisch karakter.’

Oprechtheid

Als dader en slachtoffer hun gal gespuwd hebben, komt de sociale omgeving van beide partijen aan het woord. ‘Daarna kan het slachtoffer aangeven wat er moet gebeuren om voor herstel te zorgen. Wat moet er gebeuren eer het slachtoffer zich weer goed voelt? Het slachtoffer vraagt nagenoeg altijd om excuses. Maar het kan ook veel verder gaan. Het slachtoffer kan de dader bijvoorbeeld vragen vrijwilligerswerk te doen. Het slachtoffer doet een voorstel en de dader geeft daarover zijn mening. Het sociale netwerk kan ook meepraten. Dit leidt uiteindelijk tot afspraken. Die schrijf ik op in een herstelplan. Alle deelnemers tekenen dit plan, daardoor zijn zij met elkaar verantwoordelijk voor het nakomen van de afspraken.’

Op deze manier is het slachtoffer dus medeverantwoordelijk voor het gedrag van de dader. ‘Als Pietje een week later naar het politiebureau komt om te vertellen dat Jantje zich niet aan de afspraak houdt, kan ik niets voor Pietje doen. Ze zijn samen verantwoordelijk. En dat werkt als een gek. Als mensen zelf een oplossing hebben bedacht, wordt in tachtig procent van de gevallen de afspraak nagekomen.’

Stapel verwacht positieve resultaten van het project. Maar Pemberton van Slachtofferhulp waarschuwt voor een halleluja-gevoel. ‘Er zijn mooie verhalen, maar er is geen standaardverhaal. Doorgaans kunnen beide partijen hun ei kwijt, maar dat is het dan ook. Op het slachtoffer heeft het een heel negatief effect als de dader niet oprecht overkomt. Wij kunnen daders screenen, maar je kunt niet voorkomen dat een slachtoffer de dader niet oprecht vindt. Je kunt ook nooit voorkomen dat de dader om de verkeerde redenen de confrontatie aangaat.’ De dader zou bijvoorbeeld kunnen hopen op strafvermindering. Stapel: Afspraken die gemaakt worden tijdens een herstelbijeenkomst geef ik door aan de officier van justitie. Het is niet zo dat een dader door deel te nemen strafvermindering krijgt, maar het kan wel meespelen. Als ik het gevoel krijg dat een dader om die reden meedoet aan het project, zet ik niet door.’

Bovendien heeft lang niet elk slachtoffer baat bij een confrontatie. ‘Voor velen is het beangstigend om een dader te ontmoeten. Daarom is het belangrijk dat slachtoffers goed geïnformeerd worden,’ zegt Pemberton. ‘De dader is wel de enige die antwoord kan geven op de waarom-vraag die voor veel slachtoffers zo belangrijk is.’ Daarom wil Slachtofferhulp landelijk dader/slachtofferconfrontaties aanbieden. ‘We hebben recentelijk onderzoek gedaan. Daaruit bleek dat veertig procent van onze slachtoffers interesse zou hebben in een confrontatie. Dat wil niet zeggen dat zij allemaal aan een project zouden meewerken. Maar er is wel animo, terwijl er geen landelijke voorzieningen zijn.’

Op dit moment ondersteunt Slachtofferhulp confrontaties die door de politie geïnitieerd zijn. Ze leggen contacten en doen de nazorg. Daarnaast heeft Slachtofferhulp zelf ook een aantal projecten, zoals een project confrontatiegesprekken in Brabant-Noord en Slachtoffer in Beeld. De ambitie strekt verder. ‘Vanuit de EU is bepaald dat er in 2006 overal dergelijke projecten moeten zijn. Dat biedt mogelijkheden. In Nederland is relatief veel aandacht voor het slachtoffer. In vergelijking met het buitenland gaat het goed, maar dat wil niet zeggen dat er voldoende gedaan wordt. Slachtoffers hebben niet meer rechten nodig, maar een betere interpretatie van de rechten die al bestaan.’

Lisette Douma

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden