19 apr 2011

Nieuws

'Vernieuwend welzijnswerk is niet het vervangen van betaald personeel door vrijwilligers. De nieuwe rol van het welzijnswerk vraagt om competenties en vakmanschap die van vrijwilligers niet gevraagd mogen worden.' De werkelijke opdracht ligt volgens Pascal van Wanrooy, adviseur bij Aleato, in het versterken van de civil society. Van Wanrooy reageert op het interview met John Beckers (bestuurder van WIJ in Breda): ‘Geen voorbeelden van innovatie in welzijnswerk gevonden’.
‘Vrijwilliger kan welzijnswerk niet overnemen’

Het interview met John Beckers over het welzijnswerk in het Z+W magazine van april, spreekt mij aan. Het roept op om uit de slachtofferrol te komen die zoveel welzijnsorganisaties kenmerkt. Het wordt tijd dat het welzijnwerk weer trots is op haar werk en de meerwaarde ervan kan duidelijk maken. Niet alleen aan de opdrachtgevers maar vooral aan de burgers zelf. Een duidelijke missie en daaraan logisch verbonden activiteiten is de weg te gaan.

Het vervangen van betaald personeel door vrijwilligers is wat mij betreft niet per se vernieuwend welzijn. Dat een vrijwilliger het werk van de directeur kan doen is mogelijk waar, maar heeft niet meer maatschappelijke relevantie dan het drukken van de kosten. Tenzij we streven naar een maatschappij waar geld geen rol meer speelt.

Het geeft juist het signaal af dat welzijn door burgers gedaan kan worden in hun vrije tijd. Terwijl de nieuwe rol van het welzijnswerk om competenties en vakmanschap vraagt die je van vrijwilligers niet kunt verwachten. Iemand met een gebroken been gaat ook niet naar zijn buurman of een gepensioneerde huisarts die nog wel iets wil betekenen voor de medemens.

Het lijkt soms wel of de welzijnssector niet meer waarde voor zichzelf ziet dan het organiseren van activiteiten, het geven van informatie en het organiseren van praktische hulp aan kwetsbaren. En ja, dat kan mogelijk vooral door vrijwilligers worden gedaan. Echter, de werkelijke opdracht van welzijn ligt wat mij betreft in het versterken van de civil society. Het feit dat we hier geen fatsoenlijk Nederlands woord voor hebben is veelzeggend. Hier ligt de daadwerkelijke vernieuwing.

De civil society beschrijft de leefwereld waarin mensen in sociale verbanden met elkaar leven, samenwerken en tegenwerken. Binnen de leefwereld doen mensen dingen met en voor elkaar vanuit hun neiging om verbonden te zijn met anderen. Het zijn geen een op een verbanden maar complexe netwerken. Kernwoorden zijn vertrouwen, gelijkwaardigheid, wederkerigheid (niet te verwarren met ‘voor wat, hoort wat’),gedeelde identiteit en normen en waarden. Een sterke civil society (een samenleving die bestaat uit stevige sociale netwerken met veel dwarsverbanden) is zelfredzaam en veerkrachtig en minder afhankelijk van staat en markt. Dat is fijn voor een overheid die verantwoordelijkheid wil afstaan en minder fijn voor de welzijns- en zorgmarkt die klanten verliest. Maar nog fijner is het voor onszelf, want uiteindelijk ligt ons geluk in de verbinding met anderen.

De opdracht van het nieuwe welzijn is de civil society te versterken. Dat betekent het verstevigen van bestaande netwerken (bonding) en het bevorderen van verbindingen tussen netwerken (bridging) en het binnen de boot houden van die mensen die buiten ieder netwerk (dreigen te) vallen. De kunst is nu om zelf niet onderdeel te worden van die netwerken, en zeker geen essentieel onderdeel. Een welzijnsorganisatie die denkt dat zijn activiteiten essentieel zijn voor ontmoeting heeft zijn nieuwe opdracht niet begrepen. Mensen zijn zelf in staat zich te organiseren en eigen activiteiten te ontwikkelen. Zeker als zij daar de hulp van een professionele kracht bij kunnen inschakelen. Zelforganisatie leidt tot veel sterkere en duurzamere netwerken dan het bijeenkomen van ‘klanten’ op een activiteit georganiseerd door welzijn. Ook al hebben sommige klanten een actieve rol als vrijwilliger.

Het werk van de vrijwilliger lijkt haast heilig. En natuurlijk, heel veel mensen hebben profijt van hun inzet. Toch maak ik een kanttekening bij het traditionele vrijwilligerswerk als het gaat om het versterken van de civil society. Ten eerste zijn gelijkwaardigheid en wederkerigheid belangrijke voorwaarden voor sterke sociale relaties. In een situatie waarin de één (vooral) gever en de ander (vooral) ontvanger is wordt aan deze voorwaarden niet voldaan. Dit leidt tot zwakkere en daarmee minder duurzame verbanden.

Ten tweede zijn vrijwilligers altijd verbonden aan een organisatie en daarmee aan de systeemwereld. De vrijwilliger zelf heeft te maken met contracten, afspraken, verzekeringen en moet mogelijk een bewijs van goed gedrag overleggen, want zo werkt dat nu eenmaal in de systeemwereld. Deze formalisering van onderlinge hulp is voor veel mensen niet  aantrekkelijk en geeft niet het gevoel van de leefwereld. En natuurlijk: formeel vrijwilligerswerk zorgt ervoor dat organisaties altijd nodig blijven. Mooi voor de organisaties, jammer voor de leefwereld.

Ik pleit niet voor het afschaffen van vrijwilligerswerk of het activiteitenaanbod van welzijn. De civil society is nog lang niet krachtig genoeg om voor iedereen een fijne plek te bieden. En niet iedereen is in staat zich in de huidige civil society te handhaven. Een dergelijke situatie zal ook nooit bereikt worden. Waar ik wel voor pleit is een verschuiving van focus: het activiteitenaanbod en het formele vrijwilligerswerk zijn geen einddoelen maar signalen dat er nog veel valt te doen aan die civil society.

Het versterken van de civil society vergt vakmanschap en een heel scala aan competenties. Mijn ervaringen met het burenhulpproject TijdVoorElkaar zijn dat de professional broodnodig is om juist de sociaal kwetsbare groepen een plek te geven in dit wederkerige netwerk. Het lukt met vallen en opstaan maar het is zeker geen functie die door iedereen kan worden uitgevoerd. Gelukkig maar, zo heeft professioneel welzijn toch nog meerwaarde.


Pascal van Wanrooy, senior adviseur Alleato

Bron: Foto: ANP/Koen Suyk

door Pascal van Wanrooy 19 apr 2011 laatste update:21 apr 2011