Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Voorlichting haalt kinderen psychisch zieke ouders uit anonimiteit: De nachtmerrie in huis

Ruim anderhalf miljoen kinderen en jongeren onder de tweeëntwintig jaar groeien op in een gezin waarin een ouder psychische of verslavingsproblemen heeft. Goede voorlichting en opvang moeten voorkomen dat deze zogenaamde KOPP en KVO-kinderen later zelf problemen krijgen. ‘Je schaamt je rot als je zo’n vader hebt.’

Achteraf begrijpt ze niet hoe ze het al die tijd heeft gered. Geesje: ‘Mijn ex-echtgenoot heeft een borderlinestoornis en is manisch depressief. Ook heeft hij een alcoholprobleem. Die diagnoses werden pas in de jaren negentig gesteld. Toen ging het ook steeds slechter met hem. Ons gezin stond constant voor verrassingen. Vaak liep hij dronken rond. Ook zette hij vol enthousiasme allerlei zaakjes op die later als een kaartenhuis in elkaar zakten. Omdat hij veel schulden maakte, is ons huis een paar keer leeggehaald door een deurwaarder. Soms verdween hij spoorloos. Dan ging ik hem zoeken.’
Geesje heeft zes kinderen. Ze is zich er terdege van bewust dat haar kinderen tekort gekomen zijn. ‘De drie oudste kinderen hebben nog wel een vader gehad, de jongsten niet meer. Ik heb me heel schuldig gevoeld. Ik ging wel alleen met de kinderen op vakantie en maakte uitstapjes. Maar in ons gezin draaide het toch vooral om de patiënt. Toen mijn man een baan had bij de Pakketdienst, begeleidden de oudere kinderen hem tijdens het werk. Ze zorgden ervoor dat hij niet ging drinken. Ik zag dat mijn kinderen een vader misten. Hij had geen aandacht voor hun leven. De jongsten van vijf, zes jaar schreven hem briefjes “papa, ik hou van jou”.’

Doodsbang

De kinderen van Geesje reageerden ieder op hun eigen manier op de problemen. Een van haar oudere zonen verweet zijn moeder dat ze vier jaar geleden besloot om te scheiden. Geesje: ‘De oudere kinderen hebben hun vader nog in zijn goede periode meegemaakt. Ze hebben lange tijd gedacht dat hij eens zou genezen. Mijn zoon vond dat ik mijn man afviel. Pas nu heeft hij geaccepteerd dat het nooit meer goed komt met zijn vader.’ De jongere kinderen, die nog thuis woonden, spoorden Geesje juist aan om te scheiden. Ze gaven aan dat ze de situatie niet meer aankonden. Vooral de jongste dochter Claudia (16) had het er heel moeilijk mee. ‘Ik heb vreselijke dingen met mijn vader meegemaakt,’ vertelt ze. ‘Een keer zat ik bij hem in de auto terwijl hij dronken was. Hij begon te slingeren en tegen de stroom in te rijden. Ik was doodsbang. Toen we bij een tankstation stopten, ben ik uitgestapt. Mijn moeder is me daar komen halen.’

Claudia had als kind al nachtmerries over haar vader. Het incident in de auto moest ze ook keer op keer herbeleven. ‘Ik lag ’s nachts met mijn benen tegen de muur te trappen. Op school ging het steeds slechter. Ik werd depressief.’ Twee jaar geleden kwam Claudia bij de ggz terecht. Ze nam deel aan een praatgroep, speciaal voor jongeren tussen de twaalf en de zestien jaar die ouders met psychische problemen hebben. Dat hielp. ‘Je weet wel dat je vader ziek is, toch is het goed om dat een keer van een deskundige te horen’ vertelt ze. ‘Ik leerde ook hoe ik met hem om moest gaan. Bijvoorbeeld tegen hem zeggen dat ik niet met hem wil praten als hij belt. Meestal is hij aan het begin van het telefoongesprek heel aardig, later blijkt dat hij iets van me wil. Geld of een naar verhaal kwijt bijvoorbeeld. Dat is heel vervelend en verwarrend.’ Ook aan het lotgenotencontact had Claudia veel. ‘Het is fijn om te weten dat je niet de enige bent. Je schaamt je rot als je zo’n vader hebt.’

Openheid

Praat- en doe groepen voor kinderen van ouders met psychische en verslavingsproblemen bestaan al een jaar of tien overal in het land. Uit het Nemesis-onderzoek van het Trimbos-instituut in 2001, kwam echter naar voren kwam dat het probleem veel groter was dan werd vermoed. Medewerkers van het Trimbos-instituut besloten om de hulp te professionaliseren. Draaiboeken in de ggz werden gestandaardiseerd, onderworpen aan een kwaliteitseis en landelijk geïmplementeerd. Ook is het de bedoeling om groepen op te starten voor kinderen onder de acht jaar en boven de zestien jaar. Voor deze leeftijdscategorieën is nog weinig hulp voorhanden. Verder bleek de situatie van kinderen van ouders met psychische en verslavingsproblemen erg overeen te komen. De trend is om de groepen in beide sectoren op den duur samen te voegen.

Ggz Emergis in Zeeland heeft sinds een jaar of zes een kindergroep voor 8-12 jarigen en een voor 12-16 jarigen. Preventiemedewerker Mariëtte van der Stappen benadrukt dat het in principe niet om hulpverlening maar om preventie gaat. ‘Er wordt geen therapie gegeven. Voor deelname is ook geen verwijzing van een arts nodig. Dat preventie nodig is, blijkt uit onderzoek. Eenderde van deze kinderen krijgt later zelf psychische problemen.’
Voor deelname aan de groepen hebben kinderen toestemming van hun ouders nodig. Dat is niet altijd even makkelijk. Van der Stappen: ‘Ouders willen het kind niet met hun problemen opzadelen. Maar kinderen merken toch wel als er iets aan de hand is. In die hoofdjes gaat zo’n verhaal een heel eigen leven leiden. De kinderen in de groep geven aan dat ze het prettig vinden om te praten over wat er thuis gebeurt. Openheid is heel belangrijk. Daarom geven wij ook oudercursussen. We leren de ouders hoe ze met hun kinderen over hun ziekte moeten praten. Bovendien houden we elk jaar een informatiedag voor zowel ouders als kinderen.’

In Zeeland zijn 36 duizend KOPP en KVO kinderen. Zo’n honderd kinderen hebben tot nu toe de cursus gevolgd. Het overgrote deel wordt dus niet bereikt. Van der Stappen: ‘Het KOPP-project is duidelijk groeiende. We voeren gesprekken met de verslavingszorg en willen meer groepen opstarten. Het is belangrijk om zo vroeg mogelijk in te grijpen. Al hebben velen dat nog niet door. Als er bezuinigd wordt, is preventie vaak het eerste slachtoffer. Terwijl er op de langere termijn juist veel kosten mee bespaard kunnen worden.’

Breekpunt

Begin februari hield het Trimbos-instituut samen met een dertigtal instellingen de voorlichtingscampagne ‘Praten helpt’ over KOPP en KVO-kinderen. Rianne van der Zanden, beleidsmedewerker van het Trimbos-instituut, vindt de campagne ‘geslaagd’. ‘Al hebben we nog een lange weg te gaan, ik denk dat we nu op een breekpunt zitten.’

Het Trimbos-instituut heeft een serie brochures en posters ontwikkeld die tijdens de campagne ‘Praten helpt’ werd gepresenteerd. Er is zowel voorlichtingsmateriaal voor kinderen en jongeren in verschillende leeftijdsgroepen als voor ouders en professionals voorhanden. Het primaire doel van de campagne is om het probleem breed onder de aandacht te brengen en te wijzen op het preventieve aanbod als de brochures en de kindergroepen. ‘Als kinderen informatie krijgen over de ziekte van hun ouder, kan dat al schaamte en schuldgevoelens verminderen’ legt Van der Zanden uit. ‘Ze begrijpen beter wat er aan de hand is. Ook staan er nuttige adressen en tips in de folders waar ze zelf mee aan de slag kunnen.’
Ouders wordt aangeraden om met hun kinderen over de ziekte te praten. In de uitgebreide voorlichtingsmap voor deze doelgroep staan elf psychische stoornissen beschreven. In de ouderbrochure worden tips gegeven hoe ze het onderwerp kunnen aansnijden.
Ook hulpverleners zelf hebben volgens Van der Zanden nog de nodige voorlichting nodig. ‘Hulpverleners hebben vaak hun handen vol aan de ouder die in behandeling is. Ze vinden het lastig om aan de orde te stellen dat het probleem ook invloed heeft op het kind. Met de folders wordt dat makkelijker, ze kunnen de cliënt er eentje meegeven. Bovendien zijn hulpverleners gewend om pas in actie te komen als er problemen zijn. Het is moeilijk om ze te laten beseffen dat kinderen met wie het goed lijkt te gaan, toch recht hebben op voorlichting. Ook als de ouder lichte psychische problemen heeft die langer aanhouden, kan dat voor kinderen een belasting zijn.’

Een belangrijk doel van de campagne is tevens om andere organisaties, als huisartsen, de Raad van de Kinderbescherming, de GGD en de Thuiszorg, bewust te maken van het probleem. Van der Zanden: ‘We hebben binnenkort een overleg met de koepelorganisaties van deze instellingen. Zij komen veel met de doelgroep in aanraking, het is goed als ze alle voorlichtingsmateriaal in huis hebben. Verder is het de bedoeling dat de ggz-instellingen medewerkers van andere organisaties trainen hoe ze met het probleem om moeten gaan. Er wordt nu ook wel aan deskundigheidsbevordering gedaan maar in de toekomst zal dat meer standaard gebeuren.’

Sigrid Starremans

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden