Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Beoogde invoering van gezinscoach loopt averij op: Huiverig voor gezinsdrama’s

Veel minder hulpverleners dan verwacht maken melding van probleemgezinnen. Dat blijkt uit een tussentijdse evaluatie van het Limburgse proefproject voor gezinscoaches. Ook hebben hulpverleners aarzelingen om zelf coach te worden. Borrelen oude mechanismen als wegduwen en afschuiven weer op? ‘Elke zichzelf respecterende hulpverlener moet open staan voor vernieuwing.’

Juli 2002. Als gevolg van een gezinsdrama in Roermond komen zes jonge kinderen thuis in de vlammen om. Het ongeluk zal de geschiedenis ingaan als een keerpunt in de jeugdhulpverlening. In ieder geval was het de basis voor een proefproject voor gezinscoaches dat vorig jaar in Limburg van start ging. Het Roermondse gezin liep over van de problemen en was al jaren vaste klant was bij zo’n beetje alle maatschappelijke instellingen in de stad. En ondanks alle hulp, gleed de familie steeds verder af. Tot vader in een vlaag van verstandsverbijstering ’s nachts brand stichtte in de hal, moeder zich nog net in veiligheid kon brengen, en de kinderen stierven.

Al jaren was in brede kring bekend dat de hulpverlening rond de familie niet functioneerde. Maar instellingen werkten langs elkaar heen, begroeven zich onder stapels rapporten en ambtelijke procedures en hadden het te druk voor de werkelijke hulp aan probleemkinderen en hun families. Niemand die er wat aan deed. Na de brand veranderde dat. Zo presenteerde de toen net aangetreden staatssecretaris Ross haar idee voor gezinscoaches. Die zouden tot taak krijgen probleemgezinnen te begeleiden, en alle hulp te coördineren. Als hulpverleners werk dubbel deden, moesten de coaches ingrijpen en als instanties het erbij lieten zitten, ook. In het daarna gestarte Limburgse proefproject kunnen maatschappelijke organisaties bij zeven aanmeldpunten melding maken van ‘multiproblemgezinnen’. Binnen het netwerk van de gezinnen wordt een coach aangesteld die het gezin begeleidt. ‘Het is zeker geen tovermiddel dat alle problemen als sneeuw voor de zon doet verdwijnen,’ zegt projectmanager Sonja Troisfontaine. ‘We willen onderzoeken of de gezinscoach een goed instrument is om problemen aan te pakken. Als dat zo blijkt te zijn, onderzoeken we hoe we het kunnen doorvoeren in de dagelijkse praktijk.’

Heroverweging

Eind vorig jaar bleek uit een tussenrapportage van de stuurgroep van het project dat hulpverleners veel minder vaak een ‘multiproblemgezin’ voordragen voor gezinscoaching dan was verwacht. In plaats van honderd waren het er 65 geworden. De stuurgroep schreef dat toe aan angst bij de hulpverleners om zelf tot coach te worden benoemd.

Ook speelt, volgens de stuurgroep, een cultuurprobleem mee: als een hulpverlener aangeeft dat een gezin extra coaching nodig heeft, zou die persoon eigenlijk toegeven dat zijn eigen aanpak of die van zijn organisatie heeft gefaald. En dat doen mensen nu eenmaal niet zo snel. Verder zou het nieuwe van het project hulpverleners afschrikken, en het gegeven dat een gezinscoach toch iets heeft van een bemoeial die ver binnendringt in het privéleven van de gezinnen. Troisfontaine vindt dat de constateringen niet negatief moeten worden uitgelegd. ‘Wij leren er liever iets van.’

Volgens haar leidt het pilotproject bij de instellingen tot een soort heroverweging van de zorg die ze gezamenlijk aan een gezin bieden. ‘Wij willen dat de hulpverleners rond de tafel gaan zitten, liefst in het huis van de familie zelf, met de ouders erbij, en dan gaan praten over wie wat doet, en of dat helpt. Vaak blijkt dan dat de afspraken worden bijgesteld, en dat de komst van de gezinscoach eigenlijk niet meer nodig is.’ Van de 65 aanmeldingen hebben zestien gezinnen een coach toegewezen gekregen. Bij de andere gezinnen bleek dat niet nodig. Troisfontaine noemt dat een positief neveneffect van de pilot. ‘Door het bestaan van het experiment kijkt iedereen kritischer naar zijn of haar hulpaanbod.’

De projectmanager beaamt overigens het cultuurprobleem: mensen vinden het eng om te rapporteren dat hun hulpverlening misschien minder goed loopt dan gehoopt. ‘Ze zijn bang dat ze zichzelf een brevet van onvermogen geven. Of dat er wordt gezegd: "Zie je wel! Die jeugdhulpverleners doen hun werk weer niet goed". Vergeet niet dat mensen de afgelopen tijd heel veel kritiek over zich heen hebben gehad. Wij proberen ze een steuntje in de rug te geven. En hopen dat ze zich veilig genoeg voelen om toch te melden als dat nodig is.’ Troisfontaine is tevreden over het verloop van het project tot nu toe. In de zomer wordt de eindbalans opgemaakt.

En de koudwatervrees voor nieuwe projecten? ‘Ach, dat heb je bij elke organisatie,’ meent ze. ‘Mensen grijpen terug op ingeslopen automatismen, willen op gebaande paden lopen. Alleen een enkeling springt daar uit. Wij vinden dat elke zichzelf respecterende hulpverlener open moet staan voor vernieuwing. En dat zal ook best gebeuren.’ Er zijn bij het pilotproject in Limburg ook ‘willers’, benadrukt ze: medewerkers die geloven in het concept van gezinscoach en zich er volledig op storten. ‘We koesteren ze,’ zegt de projectmanager. ‘In de jeugdzorg dringt steeds meer het besef door dat je goede mensen nodig hebt, en dat je moeite moet doen om ze te behouden. Je moet er zuinig op zijn.’

Is aan te tonen dat de pilot werkt voor de gezinnen? ‘Dat is moeilijk,’ meldt Troisfontaine. ‘We zijn nog maar kort bezig. Het is niet zo dat de wachtlijsten bij het Advies en Meldpunt voor Kindermishandeling teruglopen, of dat er minder aanmeldingen zijn bij Bureau Jeugdzorg. Maar als we gezinnen vragen naar hun ervaringen, zijn ze positief. Er is meer rust. Ze komen niet meer van de ene in de andere noodsituatie terecht. Een moeder zei dat ze voor het eerst sinds jaren weer zelf soep had gekookt. Ze had weer regelmaat, ze kwam toe aan de dingen die haar gelukkig maken.’

Bevoegdheden

Het Tweede Kamerlid Coskun Çörüz (CDA) zegt te geloven in de gezinscoach. ‘Het is een middel om de knoop uit de structuur van de jeugdzorg te halen. Natuurlijk zullen er bij het project in Limburg problemen aan de oppervlakte komen, maar die moeten de partijen daar dan oplossen. Daar is nu juist het proefproject voor.’

Volgens Çörüz moeten de instellingen voor de jeugdzorg leren weer zelf verantwoordelijk te zijn voor hun werk. ‘De bureaucratie moet weg, de passie moet terug. Iemand vertelde me dat hij elk telefoontje noteert. Hij moest later voor de rechter kunnen aantonen wat hij allemaal voor de cliënt had gedaan. Daar moeten we dus vanaf. Instellingen zullen op resultaten worden afgerekend. ‘De ondernemingslust moet ook weer terug.’

Voor Ella Kalsbeek van de PvdA-fractie is de hele pilot in Limburg overbodig. Als oud-staatssecretaris van onder meer jeugdbeleid moet ze in de oppositiebankjes toezien hoe de ene proef op de andere wordt gestapeld. ‘Ik snap dat niet. Er zijn zoveel zaken die je meteen kunt doorvoeren. Waarom nou toch weer iets nieuws, waarmee je moet proefdraaien?’ Ze pleit voor continuïteit in de begeleiding van probleemgezinnen. ‘En niet eerst die persoon, en dan weer die. Dat werkt niet.’ Volgens haar is in zeventig procent van de gevallen bekend welke kinderen risico lopen op ontsporing: kinderen van ouders met bijvoorbeeld verslavings- en psychiatrische problemen, en ouders met een verstandelijke beperking of jonge moeders. ‘Geef die gezinnen vanaf het begin intensieve begeleiding. De gezinsvoogd moet een prominentere rol in de begeleiding krijgen. Nu kan dat via een ondertoezichtstelling maximaal een half jaar. Laat diezelfde persoon via een eenvoudige regeling langer het gezin volgen. Waarom toch die gezinscoach?’ Kalsbeek maakt er geen geheim van vol ongeduld te wachten op nieuwe verkiezingen en terugkeer van haar partij in het kabinet. ‘Mijn handen jeuken.’

D66-woordvoerder Ursie Lambrechts heeft ook reserves over het pilotproject. ‘Heel fijn dat alle partijen rond de tafel gaan zitten, en de hulp op elkaar afstemmen. Maar juist op dat punt ging het in het verleden zo mis. Eén persoon moet heel duidelijk de leiding hebben, en de anderen kunnen dwingen zich aan hun afspraken te houden. Stel dat de gezinscoach een buurvrouw is, of een hulpverlener die op zijn werk de onderste in rang is? Voor mij is het belangrijk dat de verantwoordelijke duidelijke bevoegdheden heeft en gezag om aan touwtjes kan trekken. Rond de tafel zitten en afspraken maken, is jammer genoeg niet voldoende.’

Annet van Eenennaam

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden