Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Financiële tekorten op zorgtaken kunnen niet bestaan

‘Tekorten op het budget voor lokale zorg’, ‘Gemeenten houden zorggeld over’. Ferme uitspraken in krantenkoppen en voer voor Kamervragen. Hoe zit het nu werkelijk met het geld en verantwoordelijkheden? En wat betekent dat voor gemeente en Rijk? Sociaal Bestek vroeg het aan Bart Leurs van de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv).
1-Geld-2-AdobeStock.jpg
'Tekorten op zorgtaken kunnen eigenlijk niet bestaan.' - Foto: AdobeStock

Voor de Rfv is de decentralisatie van zorgtaken van Rijk naar gemeenten nog steeds nummer één van de onderwerpen waarover advies wordt gevraagd. Leurs: ‘Dat geef aan dat er nog grote onwennigheid bestaat over de nieuwe situatie, onzekerheid over wat de decentralisatie nu betekent voor financiën en verantwoordelijkheden. Niet zo gek, want het is een grote operatie met grote bestuurlijke consequenties. En het vergt nog wel enige tijd voordat alle betrokkenen zich daarvan bewust zijn en daarnaar gaan handelen.’

Geldstromen

Gemeenten ontvangen verschillende geldstromen vanuit het Rijk. De eerste is geld uit het gemeentefonds. Dit zijn financiële middelen die gemeenten naar eigen inzicht kunnen besteden om hun taken uit te voeren. Hoeveel geld iedere gemeente krijgt, wordt berekend naar aanleiding van een aantal maatstaven als bevolkingskenmerken en oppervlakte. Een tweede geldstroom bestaat uit specifieke uitkeringen. De gemeente moet die aan het doel besteden zoals het Rijk dat bepaalt. Voorbeelden van deze uitkeringen zijn gebundelde uitkeringen Participatiewet waaruit de bijstandsuitkeringen worden betaald. Een derde geldstroom kunnen gemeenten zelf in het leven roepen, namelijk die van gemeentebelastingen zoals toeristenbelasting en parkeerbelasting.

Labels

Met de recente decentralisatie hebben zowel Rijk als gemeenten gewerkt met aparte budgetten. Leurs: ‘Er is aan het Gemeentefonds budget toegevoegd voor de taken die van het Rijk werden overgeheveld naar gemeenten. Voor de budgetten die bij deze taken horen, worden labels gebruikt. De belangrijkste zijn participatie en Wsw, de nieuwe taken Wmo en die voor de Jeugdwet. Ieder van deze labels heeft een eigen verdeelmodel. Gezamenlijk heten de nieuwe labels de Integratie Uitkering Sociaal Domein (IU SD).’

Ontschotten

Uit angst dat gemeenten het geld voor andere doeleinden zouden gebruiken is er een bestuurlijke afspraak gemaakt tussen Rijk en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dat ze het gezamenlijke belang delen dat deze middelen worden besteed in het sociaal domein. Hoe ze precies in het sociaal domein worden besteed, mogen gemeenten zelf weten. Leurs: ‘De bedoeling is immers dat de gemeenten gaan ontschotten, integraal gaan werken en zorg effectiever en efficienter organiseren.’

Fixe

Bijzonder aan deze afspraken is dat het geld wordt gestort vanuit het gemeentefonds. Wat betekent dat gemeenten zelf mogen bepalen hoe ze het uitgeven. Leurs: ‘Eigenlijk handelen ze vanuit een fixe: er zijn geen aparte budgetten, er is één pot geld, namelijk het gemeentefonds, volgens eigen inzicht van de gemeente te besteden. Maar op de achtergrond is er een bestuurlijke afspraak waarin is afgesproken dat het geld wordt besteed binnen het sociaal domein. Deze afspraak is echter niet afdwingbaar.’

Tegenwerken

Het werken met labels werkt volgens Leurs op verschillende manieren verstarrend. Aan de ene kant wijst de gemeente nu al snel naar het Rijk. ‘De gemeente gebruikte de bezuinigingen die door het Rijk op het fictieve budget huishoudelijke hulp werden gelegd om zelf ook de uren terug te brengen. Maar het zijn fictieve budgetten, dat betekent dus dat de gemeente zelf beleidskeuzes moet maken en een beargumenteerd besluit moet nemen. Aan de andere kant geeft het gebruik van labels aan de landelijke politiek de mogelijkheid om het gemeentebeleid mee te bepalen. Dat ze het als een soort specifieke uitkering gaan beschouwen en dat het onderwerp van de onderhandelingen wordt. Beide kanten op werken ze zo de bedoeling van de decentralisatie tegen.’

Vertroebelde verhoudingen

De Rfv constateert dat de verhoudingen tussen Rijk en gemeente, tussen betaler en bepaler, zijn vertroebeld. ‘Het klopt niet dat het Rijk de gemeente verplicht de Wsw af te bouwen met verplichte doorbetaling van het zittend personeel waarmee het financieel risico bij de gemeente ligt. Het klopt ook niet dat gemeenten worden verplicht beschut werk aan te bieden, er dus geen keuzevrijheid is, en de gemeente moet betalen. De landelijke politiek moet kiezen: ofwel gemeenten dergelijke verplichtingen opleggen, maar de financiële risico’s bij het Rijk leggen, of gemeenten beleidsvrijheid geven en het financiële risico bij hen laten.’

Tekorten

Leurs: ‘Andersom is het zo dat gemeenten nu optimale beleidsvrijheid hebben voor het inrichten van het sociaal domein. Ze hebben daarvoor budget toegevoegd gekregen aan het gemeentefonds. Tekorten op zorgtaken kunnen eigenlijk dus niet bestaan. Ze bestaan alleen omdat gemeenten niet uitkomen met de door het Rijk beschikbaar gestelde budgetten. Maar binnen het geld van het gemeentefonds zal de gemeente, net als altijd, zelf keuzes moeten maken en de verantwoording is aan de gemeenteraad alleen. Dat is voor de sociale taken moeilijker en met meer emotie beladen dan keuzen in de fysieke sector omdat het mensen direct raakt. Maar die keuzen zijn wel de taak van de gemeentelijke volksvertegenwoordigers.’

Lees het hele artikel in Sociaal Bestek van augustus/september >>

Yvette Bommelje, Bruno Steiner

Of registreer je om te kunnen reageren.