Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Welzijnswerk wordt geen verlengstuk van justitie

Het was lang een taboe: samenwerking tussen welzijnswerkers en de politie. In 2009 wordt van welzijnswerkers juist verwacht dat ze nauw samenwerken met de politie en andere controlerende instanties. Zitten er grenzen aan die samenwerking? En wat zijn de gevaren?

Door Patrick Pouw - De Goudse wijk Oosterwei was afgelopen jaar ineens het epicentrum van jongerenoverlast. Volgens veel media en veel politci, althans. Het zou ‘oorlog’ zijn in Oosterwei, werd er geschreven. Het ‘leger’ moest worden ingezet, riep de politiek. De politie én het welzijnswerk hadden gefaald, wisten critici. Het werd tijd dat die twee partijen eindelijk eens samen zouden gaan werken, werd er geroepen.

Maar die samenwerking was er al, zegt Dick de Wit, directeur van welzijnsinstelling Factor G. ‘Wij overleggen al acht jaar met de politie, de reclassering, corporaties en andere partijen over veiligheid en overlast. Maandelijks analyseren we wat er gebeurt in de stad, en bedenken we wie daar het best wat aan kan doen.’

Sleutelwoord
Samenwerking is het sleutelwoord, zegt De Wit. Maar dat betekent niet dat er aanvankelijk geen weerstand was bij welzijnswerkers om met agenten samen te werken. ‘Je moet als welzijnswerker oppassen dat je geen verlengstuk van justitie of politie wordt. Daarom is het belangrijk heldere werkafspraken te maken. Maar het blijft elke keer balanceren, je moet telkens bepalen waar de grens van die samenwerking ligt. Wij hebben die grenzen niet zwart-op-wit vastgelegd, hoewel het duidelijk mag zijn dat we van strafbare feiten altijd aangifte doen. Maar er zijn ook grijze gebieden, en juist dan moet je extra goed je afwegingen maken.’

Het gevaar ligt altijd op de loer dat je als jongerenwerker als verrader wordt gezien. ‘Het is in Gouda ook echt een paar keer voorgekomen dat we een jongerenwerker naar een andere wijk hebben overgeplaatst omdat het verhaal ging dat zij jongeren ‘verraden’ zouden hebben. Dan gaat het er niet meer om of dat zo is. Die jongerenwerker moet daar dan weg, omdat hij daar niet meer kan functioneren.’

Enige remedie
Dat gevaar is altijd aanwezig, weet Ahmed Marouan, die al begin jaren negentig bij de Utrechtse politie aandrong op samenwerking met het welzijnswerk. ‘Inmiddels is het in Utrecht een achterhaalde discussie maar destijds was het een absoluut taboe. Dat is niet vreemd. Jongerenwerkers stellen alles in het werk om jeugd binnen te halen. Op het moment dat zij zien dat jongerenwerkers samenwerken met de politie, dan zullen ze argwaan hebben en zich afzetten tegen die jongerenwerkers.’


Toch is samenwerking de enige remedie, benadrukt Marouan. ‘Ik vind dat je als jongerenwerker niet deugt voor je vak als je niet met de politie wilt samenwerken. Als criminele jongeren in jongerencentra de vrije hand krijgen, dan loop je groot risico dat de goede jongeren worden meegezogen in de machowereld van de criminaliteit. Daar móet je tegen willen optreden. Het jongerencentrum is geen heilige plek, waar de politie niet naar binnen zou mogen. Dat betekent trouwens ook dat de politie daar naar binnen moet om een keer een bakkie te doen als er niets aan de hand is. Het is gewoon een voedingspunt voor relatieopbouw.’

Ook in Zwolle kent de samenwerking tussen het welzijnswerk en de politie een lange geschiedenis. Fenny Gerrits van Movisie weet nog goed dat er bij haar werkgever een fax binnekwam van Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie (SMVP). ‘SMVP wilde die samenwerking tussen die partijen vorm geven. In de Indische Buurt hebben we midden jaren negentig agenten met opbouwwerkers als koppels de straat op gestuurd. Dat was vloeken in de kerk. We hebben er lang over nagedacht omdat we niet wisten wat voor effect het zou hebben.’

Bijna twintig jaar later is ook Gerrits overtuigd van de meerwaarde van de vroeger zo omstreden samenwerking. ‘Je krijgt kortere lijnen, en opbouwwerkers profiteren van het gezag van de agenten waarmee ze samenwerken. Tegelijkertijd krijgen agenten een ander beeld van de wijk. Ik ken een agent die me vertelde dat hij voorheen iedereen als een potentiële dader zag. Sinds hij een koppel vormt met een opbouwwerker ziet hij mensen in de wijk weer eerst als mens. Het project heeft onderlinge spanningen in de buurt verminderd, door het aanpakken van onderliggende structuren in de wijk. Er waren een paar dominante families, met een enorme vinger in de pap. Daar hebben we wat aan kunnen doen door de krachten van de politie en het opbouwwerk te bundelen.’

Duidelijk afbakenen
Dat gaat niet vanzelf, weet Gerrits. ‘Daarom moet je gedragsregels afspreken. Zichtbaar maken dat iedereen z’n eigen rol heeft. Alleen op die manier houd je het vertrouwen in stand. Je moet ook zorgen voor goede begeleiding: professionals hebben de steun en de faciliteiten van hun organisatie hard nodig. En je moet je ervan doordrongen zijn dat je elkaars werk niet kunt overnemen. Daarom moet je dat allemaal duidelijk afbakenen en definiëren. Vertrouwen blijft alleen overeind als duidelijk is wat ieders rol is. Ook de burger heeft bepaalde verwachtingen van de taak van een agent of een opbouwwerker.’

Daarom is het belangrijk om verschillende disciplines vast te houden, maar een gezamenlijke visie te ontwikkelen, benadrukt Lodewijk Gunther Moor, directeur van de Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie. SMVP bouwde de afgelopen jaren veel ervaring op bij het begeleiden en evalueren van projecten waarbij opbouwwerkers en agenten samen de straat opgingen. Hij ziet enorme mogelijkheden, maar weet dat aan veel voorwaarden moet worden voldaan om het tot een écht succes te maken.
‘Tussen  opbouwwerker en agent moet om te beginnen sprake zijn van chemie. Voor agenten is het moeilijk om ineens informatie te delen met geitenwollensokken waar ze eerst niet mee gezien wilden worden. Het project moet niet gezien worden als een nieuw speeltje van de overheid, want dat is funest in buurten waar het gezag al onder het nulpunt is gezakt. Het moet niet als project worden benaderd, omdat je daarmee het risico loopt dat na afloop daarvan iedereen alles uit z’n handen laat vallen. Goede coaching is ook belangrijk. Maar misschien is goede bestuurlijke ruggensteun wel het belangrijkst: een burgemeester, een korpschef of een directeur van een welzijnsinstelling die vóór frontliners gaat staan. Alleen op die manier kunnen op cruciale momenten echt knopen worden doorgehakt en problemen worden opgelost.’

Onaangekondigde bezoeken
Rotterdam loopt bij het gezamenlijk aanpakken van problemen voorop. Speciale interventieteams – met medewerkers van projectbureau Veilig, de deelgemeente, Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting, Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de politie – brengen onaangekondigde bezoeken aan woningen. Als de voordeur is geopend, wordt het huishouden onder de loep genomen. En daarbij wordt de privacy van bewoners geschonden, oordeelde de Rotterdamse ombudsman. Ook anderen leverden stevige kritiek: de Rotterdamse methode zou discriminatoir zijn. Evaluatie zou ontbreken en er zou een vermenging plaatsvinden van bevoegdheden en verantwoordelijkheden.

Die kritiek is begrijpelijk, zegt Taco Brandsen, universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit Nijmegen. ‘Voorzichtigheid is geboden, want in de meeste landen zijn mensen niet blij met een onverwachte klop op de deur. Maar is het dan zo ethisch om mensen in de problemen te laten zitten als je wéét dat ze in de problemen zitten? Die critici moeten beseffen dat zo problemen bereikt worden die anders niet bereikt zouden worden. Mensen zijn vaak blij dat ze geholpen worden. Dat geldt ook voor de buren van probleemveroorzakers: eindelijk wordt er ingegrepen.’ 

Brandsen erkent dat het gevaar van vermenging van taken en bevoegdheden groot is. ‘Je probeert proactief problemen op te lossen. Je vraagt dóór, je analyseert, en dan lopen taken en verantwoordelijkheden van al die disciplines door elkaar heen. Je moet veiligheden inbouwen, zodat informatie niet misbruikt kan worden. Natuurlijk is het ook belangrijk dit soort projecten goed te evalueren.’

Valse voorwendselen
Daar heeft de Rotterdamse columniste en voormalig alternatief hulpverleenster Carrie geen boodschap aan. Zij kreeg bezoek van het interventieteam, nadat ze zelf de Dienst Burgerzaken had gebeld omdat er zeven jaar nadat ze haar huis kocht nog steeds boetes bleven binnenstromen van ‘spookhuurders’. ‘Het duurde acht maanden voor ik van ze af was. Ze zeggen dat ze met toestemming binnen komen, maar die heb ik nooit gegeven. Ik ken verhalen van mensen die de deur open doen voor zo’n team, waarbij ze zogenaamd voor de buren komen. Als ze binnen zijn, trekken ze de koelkast open om te kijken of er vlees inligt dat te duur is om met een uitkering te kopen. Het is een valse manier om onder valse voorwendselen bij mensen binnen te komen. Ze noemen het interventie, maar het is repressie. Dat heb ik destijds ook tegen burgemeester Opstelten gezegd. Maar hij vindt de methode gerechtvaardigd – al wordt er maar één spijbelaar door gepakt.’

Volgens Carrie is het onduidelijk wat de taakomschrijving van het interventieteam is. ‘Hulpverlening? Repressie? Strafrecht? Het loopt allemaal door elkaar heen. Je kweekt alleen maar bange burgers, die zich uitgesloten voelen. Ja, de meeste mensen willen aanvankelijk best meewerken. Ik ook, want ik had alles netjes voor elkaar. Maar als ze aan je laden met ondergoed staan te trekken is dat snel voorbij, dan wil je alleen maar dat ze je met rust laten.’

Dit artikel staat in Zorg + Welzijn Magazine nummer 2, februari 2009.

Alexandra Sweers

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden