Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

De terugkeer van de caritas

Kerkelijke organisaties zijn op allerlei manieren betrokken bij initiatieven die de leefbaarheid in stad en buurt verbeteren. De Protestantse Diaconie ontwikkelt in Amsterdam vele projecten voor mensen die aan de onderkant van de maatschappij staan. In de Arnhemse binnenstad is het inloophuis van de Stichting Kruispunt een lichtpuntje in het bestaan van de dak- en thuislozen. De presentietheorie van Andries Baart vormt bij beide het uitgangspunt.

Het is goed toeven in de tuin van het Corvershof, het
onderkomen van de Protestantse Diaconie. Twee mannelijke bezoekers van het
Krekelhuis, de uitvalsbasis van het straatpastoraat, drinken voor de ingang een
kop koffie en draaien een shagje. Binnen keuvelt straatpastor Mariska Putters na
met de nog aanwezige vrijwilligers. Het is de derde dinsdag van de maand, de
lunchbijeenkomst voor vrijwilligers is net afgesloten. Ervaringen zijn
uitgewisseld en nieuwe activiteiten op stapel gezet. In het straatpastoraat
komen twee totaal verschillende werelden – de kerk en de straat – met elkaar in
verbinding. Het is een project voor en door daklozen. Het grootste deel van de
tien vrijwilligers is ‘ervaringsdeskundige’; mensen van de straat of
ex-daklozen. De vrijwilligers ondervonden aan den lijve de problemen waar
daklozen mee worstelen. Hun werk varieert van boodschappen doen en eten koken
tot het bezoeken van gevangenissen, ziekenhuizen en afkickklinieken. Daarnaast
attenderen de vrijwilligers het straatpastoraat op mensen die hulp nodig
hebben.



Volgens Mariska Putters is het belangrijk om regelmatig present te zijn, de
mensen te kennen, te groeten en aan te spreken. ‘Je gezicht laten zien op de
plekken en de tijden waarop daklozen aanwezig zijn, op straat, in de
inloophuizen, in de nachtopvang. Zo win je vertrouwen en ontstaat er een band
zodat ze een beroep op ons doen als het nodig is.’ Die aanwezigheid neemt
allerlei vormen aan: van een losse babbel tot een serieus gesprek,van samen
naar de dokter, tot achter instanties aangaan of als breekijzer fungeren bij de
sociale dienst. ‘Presentie kan aan het rauwe leed en verdriet weinig doen, maar
is vaak een pleister op de eenzaamheid. Hoe kapot het leven van een dakloze ook
is, een pastor, kan, gewoon door er te zijn, iets betekenen’, zegt Putters met
een verwijzing naar de presentiemethode zoals Andries Baart die beschrijft. De
bezoekers van het Krekelhuis hebben inelk geval veel waardering voor haar
werk. ‘Zij behandelt je tenminste humaan. Je kunt je verhaal kwijt, want Mariska
neemt de tijd voor je. Bij haar vinden we altijd een warm oor, ze is een moeder
voor ons’, zegt een van hen.



Sociaal vangnetHet voormalige armenhuis Corvershof
stamt uit 1723 en werd gebouwd met een erfenis die de Diaconie in die tijd
ontving van het kinderloze echtpaar Joan Corver en Sara Maria Trip. Na de Tweede
Wereldoorlog breidde de overheid de zorg voor de burgers flink uit met sociale
wetgeving als de Bijstandswet en de AOW. De verantwoordelijkheid van de kerk
voor de armenzorg leek uit de tijd. Inmiddels richten kerkelijke organisaties
als de Protestantse Diaconie zich op een reeks andere doelgroepen. De lijst met
door de Diaconie geïnitieerde projecten in Amsterdam is indrukwekkend. Een
greep: een dienstencentrum voor migrantenkerken, taalles aan allochtone vrouwen,
projecten voor burenhulp en maaltijdgroepen, begeleid zelfstandig wonen, opvang
van uitgeprocedeerdeasielzoekers, hulpverlening aan slachtoffers van
mensenhandel, opvang vandrugsgebruikers, diverse voedselbanken,
kinderbuurtwerk, aidsvoorlichting, prostitutiepreventie, daklozenopvang,
sociale activeringvan ouderen en crisisopvang voor vrouwen. ‘Dat doen we
door ondersteuning te bieden aan de achttien protestantse wijkkerken inde
stad’, vertelt Arend Driessen, consulent bij de Diaconie. ‘De diaken en
vrijwilligers van die kerken weten wat er speelt in hun omgeving en kunnen gaten
in het sociale vangnet signaleren. Wij spelen daarop in door projecten op te
zetten, vrijwilligers en soms ook betaalde krachten voor deze projecten te
werven en te ondersteunen, en waar dat kan de projecten te verbinden met een
wijkkerk.’

Dress for SuccessOm al die initiatieven te nemen
en te ondersteunen, is de Protestantse Diaconie allang niet meer afhankelijk van
de wekelijkse collecte. Voor veel projecten zoekt ze medefinanciers op de
fondsenmarkt. Een belangrijke partner is bijvoorbeeld het Skanfonds, dat zich
specifiek richt op financiering van projecten voor mensen die aan de zijlijn
staan in de samenleving. Daarnaast heeft de Diaconie door de eeuwen heen een
vermogen opgebouwd uit nalatenschappen en erfenissen, deels bestaand
uitonroerend goed. Dit vermogen wordt door financiele experts belegd en
hetrendement komt deels ten goede aan nieuwe ontwikkelingen in het diaconaal
werk. Een voorbeeld daarvan is de nieuwe Dress for Succes-vestiging. In deze
winkel kunnen mensen met een uitkering terecht omeen gratis kwaliteitsoutfit
voor een sollicitatiegesprek aan te schaffen. ‘Succesvolle initiatieven uit
andere steden nemen wij graag over’, vertelt consulent Nico van der Perk,
doelend op de Rotterdamse Dress for Succeswinkel die de Amerikaanse formule al
eerder oppikte.

Geen gatenvullersMet in totaal zes diaconale
consulenten vormt de Protestantste Diaconie een kleine, flexibele organisatie
die dankzij een breed netwerk snel tot actie kan overgaan. ‘Noem ons geen
projectenbureau. Ons uitgangspunt is na het signaleren van een probleem
voldoende maatschappelijke steun voor het werk te organiseren, zodat het ten
slotte overgedragen kan worden aan anderen. Onze inzet voor de onderkant van de
maatschappij staat hierbij centraal.’Ondanks het indrukwekkende aantal
Amsterdamse projecten waarin de Protestantse Diaconie een aandeel heeft, zien de
consulentenzich niet als gatenvullers van het reguliere welzijnswerk, maar
als een aanvulling op het aanbod voor de verschillende doelgroepen. Driessen:
‘We proberen een brug te slaan tussen de rafelrand van de samenlevingen onze
wereld.’

Pastor op padAchter het Arnhemse Rembrandt-theater
huist in een onopvallend pand de Stichting Kruispunt. Als een van de
vrijwilligsters de deur opendoet, glipt een donkere man op een drafje de ingang
uit met de mededeling dat hij even moet ‘afkoelen’ van het tafeltennissen.
Buiten is het dik boven de dertig graden, binnen beduidend koeler. De gastvrouw
haalt haar schouders op en sluit de deur weer af. Straatpastor Anton Metske
ontvangt in dit inloophuis samen met zijn collega Jasper Schep dagelijks,
behalve op zondag, dertig tot veertig bezoekers voor het nuttigen van een warme
maaltijd. Jaarlijks ziet Metske zo’n 400 verschillende gezichten aan tafel.
‘Hier ontmoeten de bezoekers andere mensen, buiten hun eigen kringetje op
straat. Kunnen ze even op adem komen en hoeven ze niet bezig te zijn met
overleven.’ Aan de lange tafels in de eetruimte zit een mix van jong en oud,
blank en zwart. Dak- en thuislozen, (ex-)drugs- en
alcoholverslaafden,asielzoekers, al dan niet uitgeprocedeerd. In een hoek
achterin de ruimte staan drie computers die door de bezoekers intensief worden
gebruikt.Overdag zijn de twee pastores op pad om, geheel volgens de
presentietheorie, hun doelgroep op te zoeken. Metske: ‘In de binnenstad,bij
het station, op de drugsboot, de geijkte plekken in Arnhem. Ik werk niet met een
agenda, heb geen doelstellingen en geen behandeltrajecten in de aanbieding. Ik
speel in op de situatie ter plekke. Je kijkt hoe iemand eraan toe is. Wil hij of
zij praten, prima, wil hij of zij niet praten, ook goed.’Kruispunt is midden
jaren negentig opgericht door een predikant in het Spijkerkwartier die destijds
veel contact had met de drugsgebruikers in deze buurt. Die gaven te kennen
behoefte te hebben aan een pastoraat.Aanvankelijk begon de stichting met een
gespreksgroep voor dak- en thuislozen. Later is dat uitgebreid tot deze opvang,
waarvoor inmiddels dertig vrijwilligers actief zijn. De stichting is financieel
afhankelijk van gemeentelijke subsidie, giften, fondsen en collectes. ‘Ik noemde
mijn werk in het verleden wel eens het lulligheidspastoraat’, grijnst de pastor.
‘Want wat doe ik? Beetje kletsen, koffieleuten, spelletjes doen, je gaat met ze
mee naar het gemeentehuis, de gevangenis of de afkickkliniek. In elk langdurig
contact speel je eigenlijk een rol. De ene keer ben je vader of moeder, de
andere keer een goede vriend. Je hoort echter van hen wat je aanwezigheid en je
mensgerichte aanpak voor hen betekent en dat is heel veel.’

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden