Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Pieter Winsemius: ‘Niemand zegt: we kunnen wel zonder die welzijnswerkers’

‘Vertrouwen in de buurt’ is een optimistisch rapport dat bol staat van succesvolle buurtinitiatieven. De auteurs, de projectgroep van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid onder leiding van Pieter Winsemius, pleiten onder meer voor een versterking van het welzijnswerk. ‘Aanbesteding, economie, het is wel reuze makkelijk gezegd, maar het is wel link.’

De WRR pleit in ‘Vertrouwen in de buurt’ voor een tweesporen aanpak: de sociale herovering van achterstandsgebieden en een kansgedreven buurtbeleid gericht op de sociale cohesie in alle buurten. Het welzijnswerk moet daarbij versterkt worden. Voor de positie van het sociaal-cultureel werk ziet de WRR twee opties: als hoofdaannemer bij het werken voor kwetsbare individuen en groepen, of als onderaannemer vanuit corporaties als het om collectieve actie in gewone buurten gaat. Als onderdeel van de woningcorporaties zou het welzijnswerk meer bescherming vinden dan op dit moment bij de gemeenten.

Rijk en provincies dienen de randvoorwaarden te scheppen voor buurtgericht beleid. De landelijke en lokale politiek moet stoppen met ‘het jojobeleid,’ waarbij beleidsinitiatieven elkaar in hoog tempo opvolgen en het welzijnswerk telkens voor nieuwe doelen en reorganisaties wordt geplaatst. Politieke partijen zouden campagne kunnen voeren aan de hand van thema’s, zodat buurtbewoners bij de gemeenteraadsverkiezingen kunnen aangeven aan welke onderwerpen gewerkt moet worden. Door de burgers meer invloed te geven op hun directe omgeving kan de politiek het verloren vertrouwen terugwinnen.

Pieter Winsemius verwijst naar het referendum over de Europese Grondwet dat die dag plaatsvindt. ‘Vandaag zie je het vertrouwen in de politiek wankelen. Dat is griezelig: de Tweede Kamer is in grote meerderheid voor de grondwet, de bevolking tegen. Als je die kloof tussen burger en overheid wil dichten, moet je iets doen dat belangrijk is voor die burger. Een plaats waar je dat kunt doen is de buurt. Dat is niet de oplossing voor alle problemen, maar wel een deel daarvan. Dat noemen wij kansgedreven beleid. Je moet prioriteiten stellen en de buurt serieus nemen. Dan heb je de kans de kloof te dichten.’

Langs beide lijnen - sociale herovering van achterstandsbuurten en buurtbeleid in alle wijken - moet de overheid dus veel investeren.
‘Nee, ruimte laten. Als je de burger serieus neemt, kost dat niet per se geld. Een oud-wethouder van een grote stad drukte dat prachtig uit. Het gaat om het politieke handwerk: een bestuurder moet zijn netwerk hebben, zijn ogen en oren en achter de mensen durven te gaan staan. Een bekend voorbeeld: in Den Haag is er een man die op zaterdagochtend door de wijk rijdt met een megafoon en iedereen oproept de straat te gaan vegen. Die gast kreeg van alles voor elkaar en kreeg ook de medewerking van de gemeente, want de wethouder durfde achter hem te gaan staan.’

U pleit voor een cultuuromslag bij alle sociale spelers in de wijk. Corporaties, instellingen, politie moeten meer handelen vanuit het perspectief van bewoners. Hoe zit het met de politiek?
‘Tegen politici zeg je eigenlijk: je moet niet de buurt in, je mag er wel kijken, maar je moet er niet over besluiten. Je moet de signalen oppikken en daardoor weten waar je ruimte laat. Keuzes moet je overlaten aan de lui in de wijk, die moeten het doen. Politici hebben een langetermijnvisie nodig en de tijd om die visie waar te maken. Je moet afspraken kunnen maken die tien jaar vooruitlopen als het om sociale herovering gaat. Dat gebeurt in Groningen bij de brede school en in Hoogvliet in Rotterdam bij de herstructurering.’

Wat is uw beeld van de kwaliteit van gemeenten?
‘Wisselend. Politici en ambtenaren in deelgemeenten en plattelandsgemeenten hebben vaak zo’n brede portefeuille dat zie die praktisch niet kunnen beheersen. Er komen zulke hoeveelheden regels op ze af, dat ze die niet allemaal kunnen lezen.’

Wat vindt u bijvoorbeeld van wethouders die nog niets weten van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning?
‘Die kunnen ook niet alles lezen. De WMO is een lastige wet, waar best spannende dingen in zitten, bijvoorbeeld over de rol van welzijnsinstellingen in grote steden. Het kost tijd om als welzijnsinstelling verankerd te raken in een buurt. Het welzijnswerk moet weten waar de problemen zitten, welke taal de buurtbewoners spreken, op welke hoek van de straat de jeugd uithangt. Dat kost tijd.’

U gelooft dus niet zo in pleidooien voor aanbesteding?
‘Dat is best link. Als je zegt: we doen een aanbesteding, dat scheelt weer twee tientjes, dan heb je zo het netwerk in de buurt verbroken. Een nieuwe organisatie kan het misschien wel goedkoper, maar weet die ook wat de problemen zijn? Het is vlug gezegd, aanbesteding is prachtig, maar weet wel dat je netwerken hebt in de buurt. En wie bereiken de onbereikbaren? Dan moet je er al een tijdje werken. Daar heb je straatadvocaten voor nodig, bijzondere welzijnswerkers, de dominee Vissers, die voor die gasten wel te vertrouwen zijn. Aanbesteding, economie, het is wel reuze makkelijk gezegd, maar het is wel link.’

U heeft kritiek op het zogeheten ‘jojobeleid’ rond het welzijnswerk. Een oud-wethouder zegt dat de sector failliet is.
‘Het welzijnswerk zit in een hoek waar klappen vallen. Ook het zelfvertrouwen heeft klappen gehad. De afgelopen tien jaar is er gejojood in de welzijnshoek. Dan was er weer wel geld en dan weer niet. Eerst heette het integrale stadsvernieuwing, dan weer sociale vernieuwing en dan weer grotestedenbeleid. Een ander punt was de kwaliteit van het werk. Hebben wij wel de goede gemotiveerde mensen? De grenzen tussen de werksoorten zijn vervaagd en aan de kwaliteit wordt soms getwijfeld. Maar er is bijna niemand die zegt: we kunnen wel zonder die welzijnswerkers.’

Waarin schiet het welzijnswerk tekort?
‘Het levert niet altijd wat het moet leveren. Het is te rapporterig, staat te ver van het veld af en is te cynisch geworden. Tegelijk kom je ook massa’s prachtige initiatieven tegen. Je hebt ze nodig, maar dan moet het wel beter dan nu. Ze moeten een kwaliteitsslag maken en de omstandigheden creëren zodat mensen er willen werken. De politiek kan dat welzijnswerk maar niet met rust laten. De corporaties kunnen dat misschien wel. Waar grote sociale heroveringen moeten plaatsvinden, zitten meestal grote corporaties. Die stoppen er veel geld in. De fysieke pijler is sterker dan de sociale en ze hebben bredere fondsen. Misschien zit het welzijnswerk wel beter als het kan meegaan onder de hoede van de corporaties. Dat hebben we onderaannemer genoemd. ‘

Hoe ziet u de kwaliteit van buurthuizen? Wat stellen die nog voor?
‘Ik was daar heel verrast over. Ik had niet verwacht dat ze nog zo belangrijk zijn in dorpen en steden. We hebben geleerd dat gebouwen in buurten net even iets mooier moeten zijn. Dan worden de mensen een beetje trots, dan wordt het ‘ons gebouw’. Vaak zijn het afgeleefde panden die op de nominatie voor sloop staan, en dan werkt het niet. Een fantastisch voorbeeld was het moeder-kindcentrum in Amsterdam-Bos en Lommer, waar liefst 750 vrouwen per week binnen komen lopen.’

‘Dorps- en buurthuizen moeten ook multifunctioneel zijn. Je kunt bijvoorbeeld een plek hebben die ’s ochtends als bank fungeert en ’s middags als consultatiebureau voor de zuigelingenzorg. Maar al die voorzieningen zijn aan eigen regels gebonden. Een ruimte in een dorpshuis mocht bijvoorbeeld niet als gymzaal worden gebruikt omdat de verwarmingen niet goed waren. Daarmee was meteen het bestaansrecht als feestzaal en dorpshuis ondergraven. Hoe ga je met die bureaucratie om?’

Martin Zuithof

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden