Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Directeur van Gezinsraad maakt balans op van Jaar van het Gezin: ‘Draai de bezuinigingen op welzijn en sport terug’

Het vertrouwen in kinderopvang is gedaald. De taakverdeling binnen het gezin is nauwelijks veranderd. En allochtone gezinnen missen de aansluiting met de Nederlandse samenleving. Een jaar na het begin van het Jaar van het Gezin, door de Verenigde Naties uitgeroepen, maakt Erna Hooghiemstra van de Nederlandse Gezinsraad de balans op. De discussie over de maatschappelijke behoeften van het gezin is aangezwengeld, maar er is nog weinig bereikt.

Een persoonsgebonden budget voor passende kinderopvang. Een gemeentelijke website waarop kwaliteitsgegevens van kinderopvangvoorzieningen worden geplaatst. Een vaste hulpverlener op elke basisschool die ouders kan helpen bij vragen over opvoeding. En een gesprek over de taakverdeling thuis als vast onderwerp bij de zwangerschapscontrole. Dat zijn enkele concrete voorstellen die de Nederlandse Gezinsraad (NGR) op 13 mei wil overhandigen aan staatssecretaris Clémence Ross van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ter afsluiting van het Jaar van het Gezin. De voorstellen komen voort uit een serie ‘gezinsparlementen,’ discussies tussen burgers en lokale en landelijke politici. De NGR heeft deze discussies het afgelopen jaar georganiseerd in het kader van het Jaar van het Gezin. Doel was onder meer de aandacht voor het gezin op de politieke agenda te zetten.

Is dat gelukt?

‘Ja, er is meer discussie op politiek niveau over gezinszaken. We worden regelmatig uitgenodigd door politieke partijen mee te denken over gezinsbeleid.’

En wat heeft dat opgeleverd?

‘Als je vraagt wat heeft het kabinet het afgelopen jaar overgenomen van onze adviezen, dan moet ik het antwoord schuldig blijven. Wij zien de voorstellen die we in mei presenteren als input voor de gezinsnotitie waar staatssecretaris Ross mee bezig is. Die notitie zou eigenlijk al vorig jaar af zijn, toen het Jaar van het Gezin begon. Het schiet niet erg op, nee. Terwijl gezinsbeleid toch een belangrijke bijdrage kan leveren aan de oplossing van maatschappelijke problemen, zoals de arbeidsproductiviteit en de kwaliteit van de zorg voor de opgroeiende generatie.

‘Het ingewikkelde is dat gezinsbeleid onder verschillende departementen valt, die moeilijk op een lijn zijn te krijgen. In het jeugdbeleid is met dat doel de Operatie Jong gestart. Wij proberen daar nu voorzichtig bij aan te haken. Het grote verschil met jeugdbeleid is dat het bij gezinsbeleid niet alleen om kinderen gaat, maar ook om de opvoeders, om taakverdeling, om emancipatie.’

Hooghiemstra zegt zich zorgen te maken om vrouwen die stoppen met werken. Kinderopvang is een belangrijke voorwaarde om betaalde arbeid voort te zetten. Maar uit onderzoek van de gezinsraad blijkt dat vrouwen minder vertrouwen hebben in kinderopvang dan tien jaar geleden.

Is de kwaliteit van kinderopvang achteruit gegaan?

‘Theoretisch is het niet zo’n probleem een tijdje alleen voor de kinderen te zorgen. In Nederland is het dan echter heel moeilijk om terug te komen op de arbeidsmarkt. Stoppen met werken heeft vervolgens grote invloed op omstandigheden van vrouwen in echtscheidingssituaties. Alleenstaande vrouwen met kinderen hebben vaak grote sociaal-economische problemen. Kinderopvang is een arbeidsmarktinstrument geworden. Daarmee is de aandacht voor de kwaliteit minder. Er is denk ik wel een verband tussen de daling van het vertrouwen in kinderopvang en de kwaliteit ervan. In 1995 vond 37 procent van de vrouwen het nog goed als kinderen een deel van de dag door iemand anders worden opgevoed. In 2004 was dat nog maar 22 procent.’

In de nieuwe Wet Kinderopvang wordt marktwerking het uitgangspunt en het aantal regels is beperkt. Terecht?

‘De veronderstelling die ten grondslag ligt aan die wet is dat ouders wel naar een andere kinderopvangvoorziening zullen gaan als de kwaliteit onvoldoende is. Maar een kind is ook gehecht aan bijvoorbeeld de omgeving en aan de leidsters. Ouders zijn gebonden aan de gemeente of aan een werkgever. Kinderopvang zoeken is iets anders dan nieuwe koekjes kiezen als de oude niet bevallen.

‘Bovendien wordt er vanuit gegaan dat ouders de kwaliteit van kinderopvang goed kunnen beoordelen. Uit de discussies die wij hebben gevoerd afgelopen jaar bleek dat men daar grote moeite mee heeft. Ouders vinden zich niet deskundig in de beoordeling van de pedagogische kwaliteit van een kinderopvangvoorziening. Daarom pleiten wij er ook voor dat gemeenten de kwaliteitsgegevens op een website publiceren.’

Meer dan de helft van de ouders vindt dat de overheid zich moet bemoeien met de opvoeding, zo blijkt uit uw onderzoek eind vorig jaar. Waar ligt de grens tussen de verantwoordelijkheid van ouders en van de overheid?

‘Ouders zijn minder benauwd voor overheidsbemoeienis dan we gedacht hadden. Men vindt niet dat pas ingegrepen dient te worden als het fout gaat. Ze willen graag ondersteuning bij dagelijkse opvoedingsproblemen. Dan moet je aan heel laagdrempelige voorzieningen denken, zoiets als het consultatiebureau. De jeugdgezondheidszorg van 0 tot 19 jaar is een goede stap, maar er zijn te weinig vanzelfsprekend terugkerende contacten met een hulpverlener ingebouwd. Een aanspreekpunt voor ouders op school is een goed loket, denken wij. Alle ouders komen daar.

‘Overigens gaat de overheid veel verder in bemoeienis met de opvoeding bij allochtone gezinnen. Men wil in inburgeringprogramma’s een opvoedingsblok opnemen. Tijdens de discussies die wij in het land hebben gevoerd bleken er onder allochtone gezinnen zowel voor- als tegenstanders te zijn van zo’n opvoedingsprogramma. Allochtone ouders, vooral in grote steden, zien best in dat hun kind in de Nederlandse maatschappij meer nodig heeft dan zij kunnen bieden. Zij voelen zich vaak machteloos, vooral omdat ze zelf het contact met de Nederlandse maatschappij missen. Trouwens, ook allochtone kinderen komen vaak pas op latere leeftijd, zo rond een jaar of zestien, in contact met autochtone kinderen en met de autochtone samenleving. Dan duurt het wel lang voor je weet hoe de wereld om je heen eruit ziet.’

Uit het derde gezinsparlement "Samen leven" over opvoeden in de grote stad, kwam naar voren dat er voor tieners te weinig voorzieningen zijn, waardoor het risico groter is op het ‘slechte pad’ geraken. Wat is de taak voor de gemeente?

‘De bezuinigingen op welzijn en sport terug te draaien. Jongeren hebben veel te weinig mogelijkheden zich buitenshuis te vermaken. Vooral allochtone ouders maakten duidelijk dat zij geen zicht hadden op wat hun kinderen deden. Zij zouden het veiliger vinden als hun zoon, het gaat meestal over problemen met de zonen, naar een buurthuis of een sportclub ging. Die zijn voor die ouders niet meer te betalen.’

De NGR doet nu onderzoek onder allochtone gezinnen. Kunt u een tipje van de sluier over de resultaten oplichten?

‘Opvoeden blijkt, vooral in de steden, niet gemakkelijk. Allochtone ouders zijn onzeker over wat ze hun tienerkinderen moeten meegeven, zodat ze niet in de problemen komen. Wij proberen erachter te komen welke vorm van ondersteuning die ouders nodig hebben. Bijna niemand weet waar hij naar toe moet als zich problemen voordoen in de opvoeding. De ouders kennen alleen de kinderbescherming en daar zijn ze bang voor. Instanties erkennen dat ze moeilijk te bereiken zijn. Het type ondersteuning dat men vraagt ligt meestal dichtbij het gezin. Daarvoor heb je iemand uit de eigen groep nodig, die langs gaat bij zo’n gezin. Aan het loket bij Bureau Jeugdzorg komen deze mensen niet.

‘Wij bekijken in het onderzoek ook de positie van allochtone gezinnen in Nederland. Opmerkelijk is dat 90 procent van de gezinnen van nu nog steeds een of twee ouders van de eerste generatie heeft. Dat zijn ouders die de Nederlandse samenleving meestal niet goed kennen.’

Waarom hebben relatief veel allochtone ouders het moeilijker met de opvoeding van hun kinderen?

‘Het heeft vaak te maken met een informatieachterstand. Veel eerste-generatie ouders weten weinig van de Nederlandse samenleving. Ze hebben al moeite te begrijpen hoe het schoolsysteem hier in elkaar zit. Als ouders die informatie niet hebben over school, beroep, uitgaan en over in welke buurt je beter niet kunt komen, dan heeft dat invloed op hun kinderen. Zij weten daar te weinig over. De school kan daarin wel wat taken overnemen, maar haalt die informatieachterstand bij kinderen niet in.

‘Je zou dus iets met die ouders moeten doen. Dan kom ik weer bij de school, die een belangrijke rol kan spelen om allochtone ouders bij elkaar te brengen om informatie door te geven. Daar zijn al enkele goede voorbeelden van.’

Carolien Stam

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden