Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Welzijnsdirecteuren omarmen WRR-advies over samenwerking met burgers

In het rapport ‘Vertrouwen in de buurt’, dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid vlak voor de zomer presenteerde, wordt onder meer een lans gebroken voor versterking van het welzijnswerk. Behalve aan het rapport zelf besteedt Zorg + Welzijn aandacht aan succesvolle buurtinitiatieven waarvan het rapport bol staat. Hoe beoordelen welzijnsdirecteuren de inhoud en de aanbevelingen?

Het pleidooi voor wijkgericht werken is zéker niet nieuw. Evenmin als de stelling dat bewoners en overheid elkaar meer moeten gaan vertrouwen. En als klap op de vuurpijl typeert de WRR de welzijnssector als niet erg sterk. Toch reageerden welzijnsdirecteuren - onder meer in bijeenkomsten die de ministeries van VWS en BZK organiseerden - enthousiast. Vanwaar dit enthousiasme?


Coproducties
‘Vertrouwen in de buurt’ kiest het perspectief: meer aansluiting zoeken bij actieve burgers. Dit is de eerste reden voor de positieve reacties van welzijnsdirecteuren. Met andere woorden: coproductie van professionals en burgers bij concrete sociale interventies op het niveau van de buurt. ‘Het rapport toont duidelijk de waarde van activerend welzijnswerk aan,’ zegt Hans Zuiver, directeur van Combiwel in Amsterdam. Gert van Dijk, directeur van Stichting Welzijn Amersfoort, geeft zelfs aan dat hij ‘het eigen beleid gaat richten op deze aanbeveling en dat steeds meer de rol wordt opgepakt van het stimuleren en faciliteren van bewoners die zelf actief zijn’. Bijvoorbeeld bij het buurtveiligheidsinitiatief in de Amersfoortse buurten Schothorst en Raadhoven. ‘We willen veel meer gaan werken vanuit scholen, verzorgingshuizen en ruimtes die woningcorporaties beschikbaar stellen voor bijvoorbeeld ouderenactiviteiten. Tegelijkertijd willen we andere functies de wijkcentra binnenhalen, zoals zorgfuncties.’
In de tweede plaats zien welzijnsorganisaties in het rapport de bevestiging van wat Pieter Winsemius, voorzitter van de WRR-projectgroep, de ‘onbetrouwbare overheid’ noemt. Met een projectencarrousel win je niet het vertrouwen van buurtbewoners, zoals Pieter van Vollenhoven als voorzitter van de Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie (SMVP) al enkele jaren geleden constateerde. Meerdere gelegenheden greep hij aan om te betogen dat initiatieven rond leefbaarheid en veiligheid in buurten regulier moeten worden. Elk nieuw college komt met nieuwe prioriteiten voor het welzijnswerk. Om die reden worden goedlopende projecten zonder pardon stopgezet.

In zijn rapport ‘Sociale veiligheid organiseren’ constateerde de Raad voor Maatschappelijk Ontwikkeling (RMO) zelfs een ‘afkalving van de sociale infrastructuur’ als gevolg van bezuinigingen op sociaal-cultureel werk, opbouwwerk, jongerenwerk, stedelijke vernieuwing, onderwijsachterstandsbeleid, inburgerings- en integratiebeleid en vrijwilligerswerk. ‘Met name voorzieningen die dichtbij de leefomgeving van burgers staan (zoals buurtopbouwwerk of speeltuinvoorzieningen of onderwijsassistenten in de vorm van ID-banen) zijn essentieel voor de sociale cohesie en versterken de sociale infrastructuur.’
Derde reden voor de opgetogen reacties van welzijnsdirecteuren is dat zij nieuwe kansen zien in pleidooien vanuit verschillende contexten. Zo hechten gemeenten en hun partners bij grootschalige herstructureringsoperaties steeds meer belang aan sociale maatregelen en een intensieve betrokkenheid en concrete inzet van burgers. Voor het slagen van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) is een sterke civil society een eerste voorwaarde en daar zien welzijnsorganisaties een mooie taak voor zichzelf weggelegd. En coproductie wordt niet alleen door de WRR, maar ook de RMO bepleit. De RMO wil namelijk een brede veiligheidsstrategie, die onder meer inhoudt dat wijkagenten en welzijnswerkers zichtbaar in buurten aanwezig zijn en investeren in de weerbaarheid van burgers, zodat zij zelf verantwoordelijkheid voor hun woonomgeving kunnen nemen.


Sociale herovering
De WRR pleit voor zowel ‘sociale herovering van achterstandswijken’ en ‘kansgedreven beleid in de overige wijken’. Wat betreft de herovering van ‘leefbaarheid en sociale samenhang in achterstandsbuurten’ stuurt de overheid een door de sociale spelers uitgevoerde aanpak aan om de meest nijpende leefbaarheidsproblemen op te lossen. Een voorbeeld van een succesvolle sociale herovering is bijvoorbeeld de intensieve werkwijze van politie, de welzijnsorganisatie en de woningcorporatie in de Indische Buurt in Zwolle.
Kansgedreven buurtbeleid richt zich op het structureel bestendigen en uitbouwen van sociale cohesie in buurten. Daarbij moeten overheid en sociale spelers meer ruimte geven ‘aan bewoners, civil society en private partijen, die met elkaar “hun” buurt inkleuren’. De WRR presenteert een aantal concrete aanbevelingen voor beide sporen. Een daarvan is dat het rijk en/of de provincie de ‘op- en uitbouw van de civil society’ moeten ondersteunen door het stimuleren van georganiseerde verbanden. De WRR maakt onderscheid tussen de afhankelijke, afzijdige, afwachtende en actieve burgers, die respectievelijk 25, 30, 25 en 20 procent van de bevolking uitmaken. Afhankelijke burgers zijn volgzaam en gezagsgetrouw, afzijdige burgers redden zichzelf en afwachtende burgers zijn kritisch, veeleisend, calculerend en opportunistisch. Actieve burgers tenslotte zijn kritisch en tegelijkertijd welwillend ten aanzien van de overheid.
Het potentieel aan burgers dat zich actief in zou kunnen zetten is volgens de WRR veel groter dan de twintig procent van actieve burgers. Ook afzijdige en afwachtende burgers zijn met een ‘aantrekkelijk menu’ te activeren en afzijdige en afhankelijke burgers hebben behoefte aan persoonlijk leiderschap, duidelijkheid, bescherming en handhaving en verlangen naar gemeenschapszin en geborgenheid in de buurt. Buurtgericht werken kan volgens de WRR dan ook rekenen op veel draagvlak onder burgers. Het welzijnswerk richt zich met name op afhankelijke burgers als afnemers van de traditionele welzijnsproducten in de sfeer van ontmoeting, ontspanning, activering, zorg en hulpverlening. En op de actieve burgers in de door de WRR bepleite coproductie die feitelijk al vorm krijgt in de sfeer van leefbaarheid en veiligheid en in het cluster wonen, zorg en welzijn. De sector richt zich nauwelijks op beide andere categorieën en zou daar dus nog veel te winnen hebben. Kennisinstituten, hogescholen, de MOgroep en de welzijnsorganisaties zelf zouden op dit terrein gezamenlijk concrete methodieken moeten uitwerken.


Spagaat
Hoewel de WRR coproducties aanbeveelt, constateert het adviesorgaan dat er nog weinig sprake is van adequate voorbeelden hiervan. Hoe komt dat? ‘Omdat het welzijnswerk nog te veel in een situatie zit van een overheid die producten wil inkopen,’ antwoordt Zuiver. ‘Ze wil zoveel eenheden van dat product voor de ene doelgroep en zoveel voor de andere. De voorbeelden die Winsemius noemt, hebben betrekking op verbeteringen in de buurt en niet op zoveel uren activiteiten voor Marokkaanse vrouwen.’
Sommige welzijnsdirecteuren voeren aan dat de prestatieafspraken met gemeenten zo dichtgetimmerd zitten, dat er weinig ruimte is om vragen van bewoners direct te honoreren. Zuiver reageert hier laconiek op: ‘Daar moet je creatief mee omgaan. Welzijnsorganisaties zaten er toch zelf bij toen ze die prestatieafspraken maakten?’ Volgens Zuiver moet je als welzijnsorganisatie zelfs ‘bestuurlijk ongehoorzaam’ zijn om tot coproductie te komen: ‘In de Diamantbuurt in Amsterdam - landelijk bekend omdat Marokkaanse jongens daar een gezin hebben weggepest - wilden wij samen met buurtbewoners een aantal activiteiten op poten zetten. Het stadsdeel wilde dat eigenlijk niet, maar we hebben het toch gedaan. Resultaat was dat de grootste inzamelingsactie voor de slachtoffers van de tsunami plaatsvond in de Diamantbuurt!’
Steeds meer steden stellen onder voorwaarden budgetten beschikbaar waarvoor buurten een bestemming mogen kiezen. Burgers zijn dan actief betrokken bij het maken van plannen over de besteding, de uitvoering en vaak ook bij het beheer. Thijs Torreman, directeur van Thermiek in Rotterdam, gelooft er niet zo in: ‘In Rotterdam worden diverse pogingen ondernomen, de één succesvoller dan de ander. Opzoomeren en ‘Mensen maken de Stad’ zijn goede voorbeelden. Waar je voor op moet passen, is dat er geen nieuw politiek orgaan wordt gecreëerd met een onduidelijk democratisch perspectief. Bovendien kun je problemen krijgen rond opdrachtgeverschap. De woningcorporatie geeft geld aan de bewonersorganisatie en die koopt dan bij ons opbouwwerk in. Als alles goed gaat, werkt het prima. Maar als de deelgemeente vindt dat er iets misgaat, krijgt de welzijnsorganisatie de schuld. Je zit in een rare spagaat. Dit soort constructies werken alleen als er een helder opdrachtgeverschap is. Het is beter dat de corporatie ons direct de opdracht geeft en dat wij de bewoners erbij betrekken.’
Ook bij coproductie zet hij vraagtekens. ‘Bij ons staat een buurthuis leeg. Een groep bewoners wilde er zelf koffieochtenden organiseren. Wij vonden dat prima, als ze dat zelf gingen doen. Dan konden ze bovendien ondersteuning krijgen van ons. Maar ze konden niet genoeg vrijwilligers vinden voor die simpele activiteit. Je kunt qua tijd en capaciteiten niet te hoge eisen stellen aan vrijwilligers.’ Vrijwillige buurtbemiddelaars is een andere categorie dan vrijwillige koffieschenkers, maar Torreman vreest dat dit type vrijwilligerswerk een mode is die weer overgaat.
‘Dat geloof ik absoluut niet,’ reageert Van Dijk. ‘De betrokkenheid van burgers bij sociale onderwerpen is enorm. Bij ons wilde een groep bewoners en winkeliers een ‘huttenbouwdorp’ opzetten. Wij gaven wat ondersteuning, maar die bewoners hebben eigenlijk alles zelf gedaan. En zo zien wij tal van bewonersinitiatieven opborrelen die wij graag steunen. Belangrijk is dat je het initiatief bij de bewoners laat.’
Preventie
Eén van de aanbevelingen van de WRR is dat de vmbo-scholen extra aandacht moeten krijgen. Daar is sprake van grote maatschappelijke uitval, en ze zouden een handige ‘vindplaats’ voor het welzijnswerk zijn. ‘Dat gebeurt slechts incidenteel,’ zegt Thijs Torreman. ‘Thermiek heeft diverse relaties met onderwijsinstellingen waaronder ook vmbo’s. De uitwisseling is echter beperkt en gaat dan meestal over stagiaires. Inhoudelijk kennen we elkaars werelden slechts mondjesmaat. Jammer, want we zouden veel meer voor elkaar kunnen betekenen.’
Rotterdam is geen uitzondering. Vrijwel nergens is sprake van een structurele, op preventie van uitval gerichte samenwerking tussen vmbo-scholen en welzijnsorganisaties. Van Dijk vindt dat die samenwerking landelijk gestimuleerd zou moeten worden. Maar als er geen stimuleringsbeleid komt, zouden directies van de scholen en welzijnsorganisaties kunnen kijken welke mogelijkheden ze zien. Het welzijnswerk kan daar naschoolse opvang, huiswerkbegeleiding, schoolmaatschappelijk werk, opvoedingsondersteuning en toeleiding naar jeugdzorg verzorgen. Als de scholen het geld dat ze nu aan dure beveiligingsbedrijven uitgeven voor welzijnswerk in de school bestemmen, komen ze al een heel eind.
In de jaren negentig had het ministerie van VWS de projectgroep Ontwikkeling Lokaal Preventief Jeugdbeleid (OLPJ) ingesteld. Dit grootscheepse traject was zeer succesvol: in drie jaar tijd steeg het aantal gemeenten dat preventief jeugdbeleid opzette van een kwart in 1995 tot negentig procent in 1998. Niet alleen de WRR, ook de RMO en de WMO pleiten voor actief burgerschap, coproductie en een sterkere civil society. Het realiseren van deze ambitieuze doelstellingen vereist een gezamenlijk, landelijk stimuleringsbeleid van de ministeries van VWS, BZK, VROM en Justitie van het kaliber van het grotestedenbeleid, de 56-wijkenaanpak of het OLPJ. Belangrijke onderdelen van dit beleid zouden zijn het stimuleren van de samenwerking tussen vmbo en welzijn; de ontwikkeling van methodieken voor coproductie; trainingen in deze methodieken voor professionals van lokale welzijnsorganisaties; het ontwikkelen van trainingen in het opzetten en versterken van initiatieven die bijdragen aan de civil society voor beleidswerkers van gemeenten en maatschappelijke organisaties.

Kees Neefjes

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden