Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Ella Kalsbeek over de mogelijke invoering van gezinscoaches: ‘We moeten de slager niet de chirurg laten spelen’

Sinds het gezinsdrama in 2002 in Roermond, waarbij zes kinderen tijdens een brand om het leven kwamen, wordt volop geëxperimenteerd met de gezinscoach. Eind deze maand worden de eerste resultaten van een tweejarige proef in Limburg bekend gemaakt. PvdA-Kamerlid Ella Kalsbeek vindt de gezinscoach als speciale functie onnodig. In plaats daarvan moet de al bestaande gezinsvoogd de taak krijgen om naast het gezin te staan en de regie over de hulpverlening te voeren. ‘Maar die heeft nu nog onvoldoende bagage.’

‘Dat de twee kinderen van een depressieve moeder om half negen naar school moeten, kan wellicht nog door de buurvrouw worden geregeld. Of door een dichtbij wonende welwillende oma. Maar die hebben geen zin om telkens de dronken vader op hun dak te krijgen. Er moet dus een hulpverlener komen die naast dat gezin staat en overziet wat er behalve de psychische begeleiding voor de moeder verder aan hulp nodig is. Vervolgens moet diezelfde hulpverlener de hulp kunnen organiseren. Dat zou de gezinsvoogd moeten zijn, maar die heeft daar onvoldoende bagage voor en te weinig instrumenten om daadwerkelijk iets te doen. Hij schrijft lange verslagen met abracadabra over het klinisch beeld van de kinderen, maar heeft slechts een héél klein gereedschapskistje met lullige en scheve schroevendraaiertjes.’

En daar zit volgens PvdA-Kamerlid Ella Kalsbeek de crux voor de verbetering van de jeugdzorg: meer gespecialiseerde opleidingen, gebruik van bewezen methodieken, meer expertise. Kortom: Kalsbeek wil als woordvoerder jeugdzorg voor de grootste oppositiepartij meer professionaliteit. Dan kan de gezinscoach wat haar betreft buiten beeld blijven. Haar motto is: leidt de gezinsvoogd op tot een professioneel hulpverlener in het gezin. Dat zal ook leiden tot het wegwerken van de wachtlijsten: ‘Als een hulpverlener weet wat hij wil en eerder in kan grijpen, dan is er ook minder hulpverlening nodig.’

De resultaten van een tweejarige proef met gezinscoaches in Limburg worden eind deze maand bekend gemaakt. Kalsbeek verwacht dat de resultaten van de pilot, die tijdens het congres ‘Gezinscoaching Limburg: de opbrengst’ in Ede worden gepresenteerd, gunstig zullen zijn. Daar twijfelt Kalsbeek niet aan. Zij acht het ook belangrijk dat iemand de regie neemt en naast de ouders staat in zogenoemde multiproblem gezinnen. Maar ze vindt dat de gezinsvoogd dat moet doen. Ondertussen zou deze ook een kleinere caseload moeten krijgen. De hulp moet wat Kalsbeek betreft aan één loket blijven: ‘De gezinscoach is ondergebracht bij de gemeente, waarom niet bij Bureau Jeugdzorg? Het lijkt me niet bevorderlijk om weer personen en aansturing in de hulpverlening te scheiden.’

De centrale rol die Kalsbeek aan de gezinsvoogd wil toekennen, veronderstelt wel dat er iets wordt gedaan aan de opleiding en het gebruik van het diagnostische instrumentarium. ‘De gemiddelde gezinsvoogd heeft een algemene hbo-opleiding, staat jong en onervaren voor zo’n multiproblemgezin en heeft weinig tot geen instrumenten om een goede analyse te maken van wat er aan de hand is. Gezinsvoogden gaan op dit moment vooral op basis van trial and error te werk. Ze komen zo’n gezin binnen en moeten een inschatting maken van de situatie.’

In Nederland wordt te weinig gewerkt op basis van diagnostische instrumenten en bewezen effectieve methodieken, vindt Kalsbeek. Er is ook geen traditie van werken met wetenschappelijk onderzochte instrumenten. ‘De methodieken die gebruikt worden, haalt men uit het buitenland en dat vergt weer extra opleiding en aanpassingen aan de Nederlandse situatie.’

U vindt dat hulpverleners meer ruimte moeten krijgen om naar eigen inzicht te werken. Is dat niet in tegenspraak met rapporten van de Inspectie Jeugdzorg naar aanleiding van het drama Savanna?
‘Nee. Het gaat juist mis bij gebrek aan de juiste instrumenten. En natuurlijk moet de caseload van gezinsvoogden omlaag. Maar belangrijker nog is dat de professionaliteit op peil is. Opleiden dus. Je moet niet de slager chirurg laten spelen. Een slager weet zo ongeveer waar de nieren zitten, maar je laat hem geen operaties verrichten.’

Is de kans niet groot dat de Bureaus Jeugdzorg als reactie op alle kritiek zich begraven onder regels en protocollen om maar secuur te werk te gaan?
‘Absoluut. Ik vind ook niet dat er meer controle en regels moeten komen, maar dat er gekeken wordt naar waar het mis gaat. Geef dan rechte en stevige schroevendraaiers. Ik hoor hulpverleners bij Bureaus Jeugdzorg ook zeggen: "Savanna had bij ons ook kunnen gebeuren, maar gelukkig hebben wij alles goed opgeschreven". Dat is toch cynisch? Als je het maar uitgebreid in je verslag opschrijft, is het probleem afgedekt. Natuurlijk moeten er verslagen worden geschreven, omdat wel transparant moet zijn hoe er wordt gewerkt. Maar die hoeven geen veertien kantjes lang te zijn.’

Het maatschappelijk uitgangspunt dat ouders en kind zo lang mogelijk bij elkaar moeten blijven, is heel vaak de leidraad in de jeugdzorg. Wat zou de grens voor de scheiding van ouders en kind moeten bepalen, vindt u?
‘De ontwikkeling van het kind is de maatstaf. Hoe die ontwikkeling voortschrijdt of wordt gehinderd, is te meten als je de juiste instrumenten gebruikt. Het is inderdaad een taboe om moeders en kinderen te scheiden. Maar moeder is niet altijd het beste voor het kind. Je ziet ook een golfbeweging in die stellingname ten aanzien van ouders. Voorafgaand aan de Wet op de Jeugdzorg heeft de commissie-Vliegenthart onderzoek gedaan naar de werkwijze in de jeugdhulpverlening. De kritiek op de kinderbescherming was massief. De hulp moest voortaan zo kort, zo licht en zo dichtbij mogelijk. Nu wordt de hulpverlening veelal als té licht en té kort ervaren.

‘We moeten echter ook erkennen dat sommige gezinnen het nooit alleen aan kunnen. Het komt nog steeds voor dat al vier kinderen bij de moeder zijn weggehaald, moeder weer zwanger is en het dan toch nog mag proberen met de baby. Dan vraag je om problemen. In Canada gaat men op een heel andere manier om met deze zogenaamde high risk mothers. Voor moeder wordt een baan gezocht en het kind gaat fulltime naar de crèche. Op die manier krijgt het kind een goede opvoeding mee en de moeder zit niet de hele dag in de opvoedingsstress die ze niet aan kan. Maar dit soort werkwijzen zijn in Nederland niet algemeen aanvaard, wij denken nog altijd dat kinderen het beste af zijn bij hun ouders.’

Staatssecretaris Ross wil het kind centraler stellen en wil minder bureaucratie om de wachtlijsten te verkleinen. Heeft ze al iets bereikt?
‘Ze is heel betrokken bij de jeugdzorg, maar ze heeft nog weinig klaargespeeld. Minister Donner van Justitie gooit van alles over de schutting bij haar ministerie, zonder dat er een zak geld bij zit. Ze laat ’t gewoon gebeuren. Een recent voorbeeld is dat de nazorg voor jongeren uit de justitiële jeugdinrichting op lokaal niveau moet gebeuren. Dan komt het dus neer op het welzijnswerk. Maar dat is daar helemaal niet voor toegerust. Ligt daar niet gewoon een taak voor de jeugdreclassering?’

Wat zijn úw prioriteiten?
‘De professionalisering en het wegwerken van de wachtlijsten. Ja, dat laatste wil de staatssecretaris ook. Het extra geld voor het elektronisch jeugddossier is prima, prachtig. Het zal best helpen om de wachtlijsten met vijf procent te verkorten. Maar ik wil ze voor de volle honderd procent kwijt. Door professionaliteit en de juiste instrumenten te bieden. Als de hulpverlener vroegtijdig signaleert, weet wat hij wil en snel kan ingrijpen met de juiste middelen, wordt de hulpverlening korter en minder zwaar. Vroegtijdig signaleren is dan inderdaad cruciaal. Dat begint bij de consultatiebureaus. Daar komt 98 procent van de moeders met hun kind vanzelf, geheel vrijwillig terecht. Die kans moet je grijpen om problemen vroeg op te pakken. Dan moet er dus ook wel een gedragswetenschapper naast die kinderarts staan die gespecialiseerd is in ontwikkelingsproblematiek.

‘Ik vind dat de manier waarop de hulp wordt verleend veranderd moet worden. Dat er meer continuïteit moet zijn in de relatie tussen gezinnen en hulpverlener, middels een soort huisartsen-specialistenmodel. De hulpverlener heeft, net als de huisarts, een voortdurende relatie met de cliënt, een vertrouwensband. Cliënt komt bij de arts, die kijkt of hij zelf hulp kan bieden. Kan hij dat niet, dan stuurt hij de cliënt met een briefje door naar een specialist. Die houdt de huisarts op de hoogte via een korte briefing. De huisarts houdt het contact met de cliënt, hij is de constante factor. Zo kan ook de gezinsvoogdij werken. Dat is niet bureaucratisch en erg klantvriendelijk.’/Carolien Stam

Administrator

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden