Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Rietje Meijer, directeur NVMW, over de nieuwe koers van het maatschappelijk werk: ‘Maatschappelijk werkers zijn ondergesneeuwd geraakt’

‘Al dat gedoe over imagoproblemen en onderwaardering van het maatschappelijk werk moet nou maar eens afgelopen zijn,’ vindt Rietje Meijer, directeur van Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW). Ze wil de nadruk te leggen op wat het maatschappelijk werk doet en hoe het zich zou moeten ontwikkelen. ‘Maatschappelijk werkers zijn te bescheiden.’

Onder het motto ‘sta sterker als maatschappelijk werker’ heeft beroepsvereniging NVMW (Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers) een nieuwe koers ingezet. Maatschappelijk werkers moeten sterker aan de slag kunnen in samenwerking met andere professionals in de eerstelijn. In een door de NVMW ontwikkelde training voor leden wordt korte metten gemaakt met onzekerheid en het al jaren bestaande minderwaardigheidscomplex van de beroepsgroep. Daarnaast zal de vereniging er ook alles aan doen om maatschappelijk werkers aan te zetten zich nu eindelijk eens te melden bij het Beroepsregister.
Rietje Meijer, directeur van de NVMW, vindt dat ‘het gedoe’ over imagoproblemen en onderwaardering nu eindelijk eens afgelopen moet zijn. ‘Met alleen klagen bereik je niets. Het is tijd voor actie. Om wat aan deze problemen te doen zul je je wel met deze discussie bezig moeten houden, maar daarnaast moet je gewoon keihard werken om te laten zien wat het maatschappelijk werk allemaal inhoudt. Onze taak is de beroepsgroep hierin te stimuleren. Daarnaast moeten we ook aandacht vragen en ons in te zetten voor andere dan imagogerelateerde problemen. In de praktijk kom je veel meer vraagstukken tegen.’

Tijdens het congres ‘De blik van binnen naar buiten’ dat de NVMW eind 2003 organiseerde, stond de vraag centraal: hoe profileert de maatschappelijk werker zichzelf op het terrein waar ook andere beroepsgroepen met een vaak duidelijk profiel werkzaam zijn? Het ging verder over vragen als: hoe zien maatschappelijk werkers zichzelf en hoe ziet de buitenwereld de maatschappelijk werker? En over welke competenties dient een maatschappelijk werker te beschikken om als volwaardig partner op het terrein van zorg en welzijn te worden gezien en gerespecteerd? Tijdens deze dag werd duidelijk dat een duizendpoot zijn de identiteit niet echt verheldert. Alles doen leidt eerder tot geruzie over domeinen en competenties met anderen die op hetzelfde terrein werkzaam zijn. Samenwerken is in toenemende mate een voorwaarde om überhaupt nog een rol van betekenis te kunnen spelen. Maar daarin is wel van belang, zo gaf men tijdens het congres aan, dat de maatschappelijk werker in staat is zijn professie goed onder woorden te brengen. Conclusie was dat het maatschappelijk werkers maar niet lukt en ze niet voldoende actief zijn om naar de maatschappij, politiek en andere professies in de sector het beroep zichtbaar te maken. ‘Maar hier wordt hard aan gewerkt,’ zegt Meijer.

Wat gaat de beroepsvereniging hieraan doen?
‘Om het beroep zichtbaar te maken, starten we verschillende initiatieven. Zo gaan we onder meer maatschappelijk werkers toerusten om zich sterker te maken in de steeds verdergaande samenwerking in de ketenzorg. We zijn een nieuwe training gestart over samenwerking in de verschillende netwerken van maatschappelijk werkers. In eerste instantie voor het bedrijfsmaatschappelijk werk en in het voorjaar wordt dit uitgebreid voor het algemeen- en misschien in de toekomst ook schoolmaatschappelijk werk. De opleiding gaat over welke rol maatschappelijk werkers aannemen in deze samenwerking. Soms voelen zij zich onder druk gezet door bijvoorbeeld huisartsen en andere wetenschappelijk opgeleide mensen. Zelfvertrouwen om je zegje te doen en je standpunten duidelijk te maken, ontbreekt vaak. De pas afgestudeerde werkers zijn hiervoor meestal al toegerust, maar veel werkers hebben dit nooit specifiek aangereikt gekregen. Tijdens de opleiding leren ze zichzelf beter kennen. Via rollenspellen leren ze om te gaan met het samenwerken tussen verschillende disciplines.’

Samenwerking is al jaren een punt van discussie. Waarom verloopt dit nog steeds zo moeizaam? ‘Maatschappelijk werkers zijn te bescheiden, plaatsen zich niet snel op de voorgrond. Op de één of andere manier hebben ze dat nooit geleerd. Ze zijn ondergesneeuwd geraakt door andere groepen. Ze hebben geleerd er altijd voor een ander te zijn, maar vergaten daarbij voor zichzelf op te komen. Dit moeten we eruit slijpen, maar daar zullen de hulpverleners zelf ook wat aan moeten doen. Door de nadruk te leggen op wat het maatschappelijk werk doet en hoe het zich ontwikkelt, wordt de aandacht eindelijk afgehaald van dat imago en verandert de beeldvorming. De beroepsgroep moet zich niet meer in een hoekje laten drukken en de blik meer naar buiten richten. Met de nieuwe training hopen we de werkers in de samenwerking sterker te maken. We zijn nu ook bezig om deze competenties onder de aandacht te brengen bij de opleidingen.’

Bij de discussies over de nieuwe, brede opleiding tot ‘social worker’ en over de competenties die toekomstige hulpverleners moeten hebben, heb ik de beroepsvereniging niet gehoord.
‘De ontwikkeling richting één brede opleiding is geïnitieerd door de opleidingen zelf. Wij hebben ons daar tot voor kort inderdaad niet mee bemoeid. Voor een heldere visie waren we niet voldoende toegerust. De laatste twee jaar is er pas continuïteit in het bestuur gekomen en we zijn nu beter in staat om met een visie te komen en ons meer op de toekomst te richten. We moesten eerst peilen wat er leeft in het veld. Daarom hebben we ons de afgelopen tijd met name druk beziggehouden met onze eigen koers, waarin we ons ook gefocust hebben op de betrokkenheid bij opleidingen. Nu de eerste brede opleidingen van start zijn gegaan zullen wij ons richten op het bewaken van competenties. Het beroep maatschappelijk werker moet blijven bestaan. Maatschappelijk werkers komen dan wel in allerlei branches terecht en krijgen met allerlei verschillende doelgroepen te maken, in feite gaat het om dezelfde competenties. Om één beroep.’

In een brief aan de Tweede Kamer hamert de NVMW erop dat maatschappelijk werkers de ruimte moeten krijgen om hun werk goed te doen. Wat bedoelt u daarmee?‘Ik heb het over de bureaucratische prestatiecontracten en protocollen die het werk belemmeren. Maatschappelijk werkers werken vaak in één-op-één-gesprekken. Hierdoor is het moeilijk en zeer tijdrovend om alle interventies op een bureaucratische manier te verantwoorden. Doordat er zoveel protocollen zijn, krijgen maatschappelijk werkers weinig ruimte om naar eigen inzicht te bepalen of een cliënt extra hulp nodig heeft of juist minder. De maatschappelijk werker moet als professional gewaardeerd worden en er moet ook vertrouwen in hem zijn. De hbo-opgeleide maatschappelijk werkers weten echt wel hoe ze hun vak moeten uitoefenen. De prestatieaanpak is doorgeschoten. Natuurlijk moet er bijgehouden worden wat iemand doet, hoeveel tijd daaraan besteed is en of het succesvol is, maar dat moet je niet alleen maar in cijfertjes uitdrukken. We moeten er voor waken dat het maatschappelijk werk verandert in een bureaucratisch gedrocht. Het werk kan juist heel flexibel zijn, dat is de kracht van dit beroep. En met name voor outreachend werken heb je vrijheden nodig.’

Een belangrijke wijziging in de koers is een impuls op het gebied van professionalisering. Draait het hierbij slechts om geld? ‘Aan het verbeteren van kwaliteit hangt een prijskaartje. Het vereist onderzoek naar methodieken en veranderingen van het werk en opleidingen. Het is niet alleen een kwestie van meer geld, maar het gaat erom hier geld voor over te hebben. Welzijnsorganisaties hebben de financiën niet of willen te weinig investeren en maatschappelijk werkers steken zelf slechts bescheiden geld in bijscholing. Mede hierdoor melden zich maar weinig maatschappelijk werkers bij het Beroepsregister. Dit register is een stimulans om niet stil te staan en actief te blijven. Slechts 1700 maatschappelijk werkers hebben zo’n registratie. Misschien zijn ze niet van het belang overtuigd of wellicht vinden ze registratie overbodig of te kostbaar. Door werkgevers wordt weinig gevraagd naar registratie. Samen met de MO-Groep proberen we dit te stimuleren, want de inschrijving in het Beroepsregister heeft een impuls nodig. Registratie betekent dat je je werk serieus neemt en dat je open staat voor vernieuwing en ontwikkeling. Bovendien is het een kwaliteitswaarborg. Het register krijgt een facelift en de drempel voor registratie proberen we te verlagen.’

Ester Mijnheer

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden