Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Komende en gaande directeur Verwey-Jonker Insituut over ontwikkeling welzijnswerk: Sturen vanaf de zijlijn

Op 1 augustus volgt Hans Boutellier Jan Willem Duyvendak op als directeur van het Verwey-Jonker Instituut, de organisatie voor beleidsstrategisch onderzoek in de sociale sector. Hoe draagt onderzoek bij aan de versterking van welzijnsbeleid en sociale infrastructuur? Hoe moet het volgens Duyvendak en Boutellier verder met de sociale professies en het welzijnsbeleid? Een gesprek met twee spraakmakende sociale denkers.

‘De puzzel van 2002 moeten we serieus nemen,’ zegt Jan Willem Duyvendak. De huidige directeur van het Verwey-Jonker Instituut, die Abraham de Swaan opvolgt als hoogleraar Sociologie (Universiteit van Amsterdam), doelt op de ‘revolutie’ die Pim Fortuyn teweeg bracht. Hij wil hier zelfs zijn oratie aan wijden. ‘Nederland heeft zoveel moeite met culturele verschillen omdat we zo’n homogene, progressieve natie zijn. De problemen met migranten, juist op punten als vrouwen- en homo-emancipatie, komen doordat iedereen tot en met CDA en VVD deze emancipatie omarmd heeft. Hoe maak je het autochtone deel van de natie, dat zoveel ongenoegen had, duidelijk dat ook zij erbij horen? Het was interessant dat ze achter iemand aanliepen die openlijk homoseksueel was, wat toonde hoe groot de gedeelde waarden waren. Maar wat doe je met de groep die buitengesloten wordt, de allochtonen?’

Voor Hans Boutellier vormde Pim Fortuyn in zijn boek 'De veiligheidsutopie' de illustratie van het paradoxale verlangen naar absolute vrijheid en bescherming in de huidige maatschappij. ‘Het rommelde al een tijd, maar 2002 was de uitbarsting van een vulkaan. Vrijheid geven, emancipatie, zelfontplooiing en de begrenzing daarvan, die zaken kwamen bij Fortuyn samen. Dat is een basisthema dat je op allerlei terreinen ziet.’

Het Verwey-Jonker Instituut ontstond in 1993 uit de fusie van onderzoeksbureaus voor maatschappelijk werk en opbouwwerk (NIMAWO en NIMO). De afgelopen jaren breidde het instituut onder leiding van Duyvendak het onderzoek uit naar terreinen als leefbaarheid, integratie, veiligheid, jeugd en maatschappelijke zorg. De veertig onderzoekers krijgen nu niet alleen opdrachten van het rijk, maar voor zestig procent ook van gemeenten, provincies en commerciële opdrachtgevers als de NS en woningstichtingen.

Jan Willem Duyvendak (44) was sinds 1998 directeur. Hij maakte naam met publicaties over mythes rond wijkgericht werken, samenlevingsopbouw en de staat zoals 'In het hart van de verzorgingsstaat' (de geschiedenis van VWS). Duyvendak was tot 2001 bijzonder hoogleraar 'Wetenschappelijke grondslagen van het opbouwwerk' en wil zich nu richten op stadssociologie en professionaliseringsvraagstukken.

Hans Boutellier (51) werkte bij het directoraat 'Preventie, jeugd en sanctiebeleid' van het ministerie van Justitie. Als hoofd van de afdeling Algemeen Beleid was hij medeverantwoordelijk voor grotesteden-, minderheden en lokaal justitiebeleid. Boutellier was onderzoeker bij het onderzoekscentrum WODC (Justitie) en docent Criminologie aan de Vrije Universiteit.

Het Verwey-Jonker Instituut komt voort uit organisaties voor maatschappelijk werk en opbouwwerk. Volgens sommige critici doet het nog maar weinig aan onderzoek rond die beroepen.

Duyvendak: 'Na de fusie is gezegd: we zijn niet alleen een instituut dat zich bezig houdt met professionalisering. Het is goed dat we een breed profiel hebben voor professies waar we aandacht aan besteden. Ik ben zelfs bang dat we nog iets te veel aan opbouwwerk doen. De laatste tijd is in brede zin wel weer meer aandacht voor professionaliteitsvragen, bijvoorbeeld in de boeken van Evelien Tonkens. Die gaan, breder dan maatschappelijk werk en opbouwwerk, ook over vermaatschappelijking van de zorg.’

Heeft die breedheid van het onderzoek ook te maken met de achtergrond van de opdrachtgevers? Commercieel onderzoek heeft zich uitgebreid.

Die verbreding vond op een hele natuurlijke manier plaats, stelt Duyvendak. ‘Tot voor kort waren wij een vragende en zeurende partij die steeds zei: “zie die sociale problemen alsjeblieft”. Het interessante van de afgelopen jaren was dat die problemen prominent op de agenda kwamen te staan en dat allerlei instellingen nu naar ons toekomen en vragen of we kunnen meedenken. De NS vraagt ons hoe een station veiliger kan worden. We halen nu zestig procent van de opdrachten uit de markt. VWS krijgt op een fantastische manier waar voor zijn geld, maar betaalt nog maar veertig procent.’

Boutelllier wil meer opdrachtgevers in de commerciële sector. ‘De directie Sociaal Beleid bij VWS heeft niet het hele sociaal beleid onder zich. Zoveel partijen gaan over sociale ontwikkeling en vermaatschappelijking van zorg. Zelfs de KNVB vraagt zich af welke maatschappelijke effecten betaald voetbal heeft. Ik was verrast over het engagement dat daar bestond. Ik zou het fantastisch vinden als we ook voor dat soort organisaties onderzoek kunnen doen.’

Het Verwey-Jonker Instituut moet met onderzoek bijdragen aan de versterking van sociale structuur, stelt Boutellier. Maar wat is de invloed van onderzoek?

Boutellier. ‘Dat weet ik uit mijn WODC‑tijd. De invloed is vaak enorm. Heel veel Justitiebeleid had zich niet kunnen ontwikkelen zonder het WODC. In praktijk is de relatie heel moeilijk aan te geven: dit onderzoek heeft er plaatsgevonden en dat heeft tot die en die actie geleid, bijvoorbeeld in preventiebeleid.’

Duyvendak: 'Wij zijn het sterkst in beleidsstrategisch en verkennend onderzoek, het opsporen van trends. Daarnaast doen we ook beleidsevaluatie, bijvoorbeeld de afrekencultuur in het welzijnswerk: hoe zorg je ervoor dat instellingen zich op lokaal niveau verantwoorden, zonder dat de inhoud verloren gaat. Vaak is het heel hard wat er uit onderzoek komt, namelijk dat instituten niet goed functioneren. We leggen niet alleen het belang van sociale instituties uit, we nemen ze zonodig ook scherp onder vuur.'

Bijvoorbeeld het onderzoek 'Trends in grootstedelijk welzijnsbeleid' bevatte harde conclusies over het sociaal-cultureel werk in Rotterdam: weinig in de wijk, weinig reflectie, enorme werkdruk. Wat doet de gemeente daar mee?

Duyvendak: ‘Veel. De raad en deelgemeenten hebben het rapport opgepakt om na te denken over of de welzijnsinstellingen niet veel steviger moeten worden. En ook: of ze niet beter moeten kijken naar de maatschappelijke effecten. Uit ander onderzoek van ons bleek dat werkers wel nuttige dingen doen, maar moeilijk kunnen formuleren waarom ze dat doen. Voor professionals is dat ernstig. De raad bekijkt nu welke impulsen het welzijnswerk moet krijgen en ook de welzijnskoepels willen investeren in professionalisering. Mensen realiseren zich dat er in de uitvoering veel problemen zitten, maar het is niet zoals vijf jaar geleden: welzijnswerk stelt toch niets voor. Mensen zien die beroepen echt weer als serieuze professies. Ik geloof dat wij daaraan hebben bijgedragen.’

Toch is er nog veel wantrouwen. Gemeenten verwijten het welzijnswerk dat het intuïtief keuzes maakt en zelfs aan belangenbehartiging doet.

Duyvendak vindt die discussie niet negatief. 'Er is blijkbaar een debat tussen politiek en instellingen over professionaliteit. In welke mate mag een professional zich identificeren met bewoners? Tien jaar geleden had de plaatselijke politiek daarover helemaal geen mening. Dat de politiek de instellingen op de huid zit, betekent dat er aandacht voor is. Het welzijnswerk heeft nog last van het wantrouwen van de afgelopen twintig jaar, maar dat neemt af. Nu krijg je discussie over de verantwoording, maar als het beroep niets voor zou stellen, was die discussie er niet.’

Boutellier ziet een terugkeer naar kerntaken op allerlei terreinen. ‘Dat dwingt ook de sociale sector te formuleren wat haar kerntaken zijn, omdat je anders niet weet wat je bestaansrecht is. De politie is een tijd in een gat gesprongen als het gaat om wijkveiligheid, leefbaarheid, conflictbemiddeling. Dat kwam misschien doordat opbouwwerkers waren wegbezuinigd, maar het had ook met hun opvatting over professionaliteit te maken. Opbouwwerkers voelden er ook niet zoveel voor om als een verlengstuk van de overheid te worden gezien.’

Hans Boutellier pleit voor normstellend welzijnswerk. U wilt zich dus wel meer met de beroepsinhoud bemoeien.

Boutellier beaamt dit lachend. ‘Het Verwey-Jonker Instituut en het NIZW kunnen meer doen aan de missie van het sociale werk. Het is tijd om hele fundamentele vragen te stellen. Onlangs vroeg ik in een discussie: “Probeer eens te formuleren waartoe we opvoeden? En wat verwachten we van jongeren?” Dat blijkt een hele moeilijke vraag. We zitten op een overgangsmoment. Er is maatschappelijk veel aan de hand, maar veel klassieke termen uit het sociaal beleid zijn niet meer accuraat. Participatie werd bijvoorbeeld twintig jaar geleden gezien als het bieden van zoveel mogelijk faciliteiten. Het emanciperende zit nu veel meer in dat 'meedoen' met de gemeenschap, zoals Balkenende dat noemt, en daarover moet je niet lacherig doen. Daarvoor moet je ook een appel doen op burgers. Verwachtingen expliciteren vind ik cruciaal.’

Hoe zien die normstellende welzijnsberoepen er dan uit?

Duyvendak: ‘Op het niveau van de individuele werker zie je dat ze positie durven in te nemen. Daarbij zeggen ze wel steeds dat het hun individuele mening is, maar dat ze niet weten dat hun beroepsgroep of instelling dat ook vindt. De missies van welzijnsinstellingen zijn vaak vreselijk omschreven, met een wolligheid waar niemand normatieve houvast aan ontleent. Het management moet veel meer in de organisatie naar beneden kijken en in discussie zijn met hun eigen professionals. Dan blijkt dat er geen onenigheid is over opvattingen, maar alleen dat ze niet geëxpliciteerd zijn.’

Boutellier pleit voor een soort jurisprudentie in de sociale sector. ‘Het is enorm lastig om een normatieve positie in te nemen als je je gedekt voelt door je instelling. In de rechtenwereld heb je jurisprudentie, een explicitering van normen en discussie daarover. Dat heb ik ook weleens voor de kinderbescherming voorgesteld. Beslissingen zijn daar vaak impliciet: maatschappelijk werkers besluiten tot een interventie in een gezin, maar waarom precies? Dat kun je doortrekken naar sociaal-cultureel werk. Welke acties vind je nodig in een situatie? En naar de maatschappelijke opvang. Daar gaat het vaak om interventies op de grens van dwang en drang, bemoeizorg. Die beslissingen kun je vastleggen en erover discussiëren. De opzet van zo’n jurisprudentie lijkt me een mooie onderzoeksopdracht.’

Wat verwacht u van het welzijnsbeleid van VWS, bijvoorbeeld van de Welzijnsnota van staatssecretaris Ross?

Duyvendak vindt het ‘heel slecht’ dat welzijn binnen VWS dreigt te marginaliseren en is daar zichtbaar emotioneel over. Of er een apart directoraat-generaal welzijn blijft, is onduidelijk. ‘Ze denken dat alles alleen nog om zorg gaat en dat welzijn hoogstens preventie van nog meer zorg is. Onzin, bij multiculturele vraagstukken moeten mensen elkaar ontmoeten. Dan gaat het om de kwaliteit van sociale relaties, dat mensen bang voor elkaar zijn, vreemden. Kwesties die niets met zorg te maken hebben, maar wel in het hart van het publieke debat zitten, van de onrust van 2002. Alleen als je bij VWS van de zorg bent, hoor je er nog bij. Die marginalisering van welzijn staat niet in verhouding tot wat er maatschappelijk gebeurt.’

Boutellier wil met het Verwey-Jonker Instituut wel betrokken worden bij de Welzijnsnota. ‘We zijn toe aan een aantal nieuwe formuleringen over wat precies welzijn is. Je kunt denken in termen van burgerschap. Het begrip ‘meedoen’ geeft een interessant aanknopingspunt voor welzijnsbeleid. Meer dan in het begrip ‘participatie’ zit daarin dat er van burgers ook veel verwacht wordt. Het welzijnswerk heeft wel erg lang gedacht vanuit het belang van de zwakste tegenóver de overheid. Burgers verwachten nu juist bescherming ván die overheid. We willen meer eisen aan elkaar stellen. Onder welke condities kan dat?'

Martin Zuithof

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden