Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Inleider Welzijnsdebat 2003 over nieuwe eisen aan de multiculturele samenleving: ‘Welzijnswerk moet confrontaties tussen culturen organiseren’

Is het welzijnswerk toegerust voor de multiculturele samenleving? Volgens Khalid Boutachekourt, adviseur voor overheden en welzijnsinstellingen, zet de klassieke benadering van doelgroepen uit de tijd. Het welzijnswerk moet zowel autochtone als allochtone burgers behandelen op basis van leefstijl. ‘Dan zit de Turkse ondernemer dichter bij de Nederlandse ondernemer dan bij de Turkse bijstandsmoeder.’

In brede kring bestaat twijfel over de manier waarop Nederland de afgelopen decennia is omgegaan met haar allochtonen. Etnische diversiteit wordt niet meer gezien als een verrijking of een neutraal gegeven, maar ze wordt steeds meer in de probleemsfeer getrokken. Deze harde lijn zien we terug in het landelijke integratie- en vreemdelingenbeleid. Als het aan het kabinet ligt, wordt gezinshereniging de komende jaren een stuk moeilijker gemaakt. Ook recente ideeën getuigen van een veranderde visie. Denk aan het voornemen om oudkomers die in de WAO zitten op hun uitkering te korten wanneer zij niet slagen voor hun taalcursus en het idee om nieuwkomers te verplichten al in het eigen land te beginnen met het leren van de Nederlandse taal.

Al deze ontwikkelingen leiden ertoe dat gemeenten en welzijnsorganisaties zich voor het eerst sinds lange tijd weer serieus bezinnen op hun werkwijze en op de achterliggende visie. Zijn gemeenten er wel in geslaagd hun rol als regisseur van het lokale integratiebeleid waar te maken? Hebben de welzijnsinstellingen zich de afgelopen jaren voldoende geprofileerd? In hoeverre bereiken zij allochtone groepen eigenlijk? Sluiten beleid en projecten nog wel aan op de behoeften van het publiek? In hoeverre is er sprake van vervreemding van welzijnsorganisaties tot de samenleving? En, wat kunnen we doen om ervoor te zorgen dat zaken in de toekomst veranderen?

Tijdsgeest

Een veelgehoorde kritiek van gemeenten op het gemeentelijk welzijnswerk is dat haar aanpak niet individueel genoeg is. Van oudsher is het welzijnswerk sterk gericht op samenlevingsopbouw: men neemt het welzijn van de samenleving als geheel als uitgangspunt en redeneert van daaruit terug naar groepen die bepaalde behoeften hebben. Die groepsvisie staat haaks op de huidige manier van denken: individuen, met hun specifieke behoeften en capaciteiten zijn het startpunt geworden. Om zelfredzaam te kunnen zijn, moeten sommige individuen vooruit geholpen worden, door bijvoorbeeld extra scholing of taallessen. En die vooruitgang moet ook meetbaar zijn: er moet kunnen worden aangetoond dat de inspanningen effect hebben gehad, bijvoorbeeld doordat het individu nu een baan heeft of dat zijn taalniveau is gestegen. Commerciële reïntegratiebureaus boeken successen met methoden van individuele trajectbegeleiding en ook de welzijnsinstelling krijgt deze manier van werken - met de bijbehorende monitoring - steeds meer van hogerhand opgedrongen. Accountability wordt het parool, en dat verhoudt zich slecht met de samenleving als aggregatieniveau.

Ook vanuit de samenleving is er kritiek, al uit die zich eerder in afzijdigheid en desinteresse. Grote groepen burgers hebben geen idee meer wat welzijnsinstellingen doen of waar ze voor staan. Dat komt gedeeltelijk door de linkse boodschap die de welzijnsinstellingen uitdragen of waar ze mee worden geassocieerd: die slaat in een verrechtste maatschappij bij bepaalde groepen niet meer aan. De rechtse autochtone inwoners in de gemiddelde achterstandswijk kunnen niks met de idee van samenlevingsopbouw, laat staan met de multiculturele samenleving als verrijking. Ook hoogopgeleiden hebben weinig met de welzijnsorganisatie. Het probleem is hier niet een gebrek aan betrokkenheid bij de samenleving, maar een gebrek aan affiniteit met de welzijnsinstelling op zich. Zij beschouwen het welzijnswerk als te links, te suf of gewoon als niet meer van deze tijd.

Een klassiek punt van kritiek op de welzijnsinstelling is tenslotte dat die er niet in slaagt om het allochtone publiek te bereiken. Deze kritiek wordt niet enkel geuit door de lokale overheden, maar ook door zelforganisaties. Zelforganisaties geven steeds vaker aan serieuzer genomen te willen worden, omdat zij met beperkte middelen meer realiseren dan de welzijnsinstelling. Zij bereiken met hun activiteiten immers wel een specifiek publiek. Ook bepaalde groepen traditioneel ingestelde allochtone ouders en echtgenoten vinden de methoden van het welzijnswerk niet geschikt vinden voor hun jongeren en vrouwen.

Maatschappelijke rol

Voor de meeste welzijnsinstellingen zijn deze kritiekpunten niet nieuw. De kritiek vraagt om een herpositionering van de instellingen naar de overheid, naar het maatschappelijk middenveld en naar de burger toe. In het licht van deze herpositionering staat de welzijnsorganisatie voor drie kernopdrachten: het formuleren van een visie, het omzetten van de visie in een actieplan en het vergroten dan wel verbeteren van het bereik.

Welzijnsinstellingen hebben vaak onvoldoende visie op de multiculturele samenleving, terwijl de noodzaak daartoe nu groter is dan ooit. Zeker als het een nieuwe richting op moet en er keuzes gemaakt moeten worden, moeten welzijnsinstellingen zich bewust zijn van wat ze doen, wat ze wel en wat ze niet willen. Aangezien de gemeente in de regel de belangrijkste werkeenheid voor de welzijnsinstelling vormt - en de voornaamste geldschieter is - kan men zich afvragen of de welzijnsinstelling niet kan meeliften op de gemeentelijke visie door simpelweg uit te voeren wat haar gevraagd wordt. Daar kunnen we kort over zijn: nee.

In veel gevallen biedt de visie van de gemeente op de multiculturele samenleving weinig handreikingen om als welzijnsinstelling vraaggericht te kunnen werken. Sterker nog, gemeenten geven vaak zeer inconsistente signalen af. Zo propageren ze aan de ene kant dat zij een algemeen achterstandenbeleid voorstaan zonder aandacht voor specifieke doelgroepen, terwijl zij aan de andere kant rijksregelingen zoals het oudkomersbeleid en arbeidstoeleidingsprojecten voor allochtonen vrijwillig doorvoeren. Daar komt bij dat de vragen die de gemeente stelt volkomen anders zijn dan de vragen die de welzijnsinstelling zou moeten stellen. Een ander werkniveau veronderstelt andere acties.

Voor de welzijnsinstellingen, willen zij hun bestaansrecht behouden, is het verstandig anticiperend op te treden. Zij zouden de gemeente juist moeten helpen een visie op de samenleving te ontwikkelen. De professionals in de welzijnsinstelling zijn immers de uitgelezen sensoren van de samenleving, of zouden dat in ieder geval moeten zijn.

Leefstijlen

Het welzijnswerk staat dus voor de taak een eigen visie te ontwikkelen die welzijnsinstellingen hun onafhankelijkheid teruggeeft én die aansluit bij actuele ontwikkelingen. Wat het multicultureel denken daarin betreft, is het belangrijk dat er rekening gehouden wordt met het voor de huidige samenleving kenmerkende individualisme. Daarmee verhoudt het multiculturele denken zich van nature moeizaam, doordat men bij het denken over multiculturaliteit vaak ongemerkt in de richting van doelgroepdenken drijft. Mensen worden in de eerste plaats gedefinieerd aan de hand van één kenmerk, namelijk de reden waarom ze tot die doelgroep gerekend worden (Marokkaan), in plaats van aan de hand van de kenmerken die ze zelf zouden gebruiken om uit te leggen wie ze zijn (jong, man, scholier, skater). In de regel houden individuen er niet van om gereduceerd te worden tot lid van een doelgroep. Het werkt stigmatiserend en werkt vooroordelen in de hand. Een Turkse ondernemer vertoont misschien meer overeenkomsten met een Nederlandse ondernemer dan met een Turkse bijstandsmoeder. Toch worden de ondernemer en de bijstandsmoeder vanuit het doelgroepenperspectief over één kam geschoren.

Veel gemeenten merkten dat het doelgroepdenken bij de burger niet in goede aarde viel. Het denken in doelgroepen raakt dan ook langzaam maar zeker uit de gratie. Gemeenten dopen hun minderhedenbeleid steeds vaker om in diversiteitsbeleid, waarbij het individu met al zijn of haar specifieke kenmerken centraal staat. In de praktijk blijkt de gewijzigde visie zich toch vooral op theoretisch niveau te voltrekken, de operationalisering van diversiteit levert nogal eens problemen op. Bijvoorbeeld in Amsterdam. De gemeente stelde bij de lancering van haar diversiteitsbeleid dat vrouwen, gehandicapten, minderheden en homo's daarbinnen als speciale doelgroepen aandacht zouden krijgen. Het blijkt in de praktijk toch moeilijk om buiten de doelgroepen om te werken.

Sommige gemeenten, zoals Almere en Haarlemmermeer, gaan een stap verder. Zij handhaven binnen hun diversiteitsbeleid niet de traditionele doelgroepen, maar gebruiken een nieuwe manier van benoemen en categoriseren. Zij denken niet in allochtoon en autochtoon, maar in kosmopolieten, postmaterialisten en opwaarts mobielen. Individuen worden gecategoriseerd aan de hand van onder meer huishoudenskenmerken, vrijetijdsbesteding, dagindeling, opleiding, economische positie en toekomstoriëntatie – categorieën die waarschijnlijk meer aansluiten bij de manier waarop zij zichzelf beleven dan een categorisatie naar etniciteit, sekse of handicap. In deze zogeheten leefstijlbenadering zit de Turkse ondernemer dichter bij de Nederlandse ondernemer dan bij de Turkse bijstandsmoeder, omdat beiden in dezelfde sector werkzaam zijn, in vergelijkbare huizen wonen en hun toekomstbeeld en ambities dichter bij elkaar liggen.

Gemeenschappelijke waarden

De leefstijlenbenadering komt tegemoet aan het ongenoegen van welzijnswerkers die in toenemende mate geconfronteerd worden met nieuwe eisen en vragen, vanuit zowel de samenleving als vanuit de overheid. Cliënten wensen niet meer als onderdeel van een groep aangesproken te worden, maar willen een aanpak die toegesneden is op hun individuele situatie. Het gegeven dat de clientèle, zeker in de grote steden, almaar diverser wordt is hier nauw mee verweven. Deze tendensen leiden er niet alleen toe dat de welzijnsinstelling haar aanpak moet wijzigen, maar ook dat het aanbod meer divers en intercultureler moet worden. Met het classificeren van leefstijlen alleen kom je er niet. De leefstijlenbenadering biedt de welzijnswerker aanknopingspunten, maar voor het echte aanpakken van een probleem in de wijk moet je naar de concrete situatie gaan en de burger er bij betrekken. De multiculturele uitdaging voor de welzijnsinstelling luidt dus vervolgens: hoe kom je tegemoet aan dit palet van leefstijlen? Hoe ga je om met alle verschillende vragen? Hoe kom je tot een aanbod dat divers genoeg is om al je cliënten met hun individuele wensen, overtuigingen en leefregels van dienst te kunnen zijn? En hoe stap je ook in de alledaagse praktijk af van het denken in doelgroepen?

Het verleden heeft laten zien dat een klassieke benadering van doelgroepen geen zoden aan de dijk zet. Een voorbeeld. Stel, je wilt voor een project allochtone jongeren, mannen of vrouwen bereiken. Dat doe je in de regel door op zoek te gaan naar personen die als sleutelfiguren willen optreden, of organisaties te benaderen waar de doelgroep samenkomt (moskee, zelforganisatie). Je overtuigt hen van de verdiensten van je project en hoopt dat zij vervolgens hun achterban weten te enthousiasmeren. Deze methode kent zwakke kanten. De sleutelfiguur of organisatie blijkt over een kleinere achterban te beschikken dan verwacht, of de achterban bestaat uit een groep die nou net niet op het project zit te wachten. Die zelforganisaties die wel een grote achterban hebben, hebben soms geen behoefte aan de instrumentele benadering van welzijnsinstellingen, maar zijn enkel bereid hun leden te informeren als er een duidelijke win-win situatie is voor de eigen organisatie.

Mocht de werving gelukt zijn, dan is de juiste activering een probleem. De leefwereld van de verschillende individuen loopt onderling zo uiteen, dat het activeren vaak een proces wordt van leuren en sleuren.Veel allochtonen voelen zich bijvoorbeeld niet thuis in bijeenkomsten van buurtbeheer of bewonersraden. De veelgehoorde kreet is dan dat allochtonen ofwel niet bereikt worden of niet willen participeren. Het eindeloos vergaderen, de behoudendheid en het gebrek aan actie zijn echter ook voor veel andere groepen reden om niet te participeren. Enige reflectie op de eigen aanpak zou dan ook heilzamer zijn dan meteen te roepen dat er geen allochtonen gevonden kunnen worden en dat het aan de doelgroep ligt.

Welzijnswerkers zouden zich meer moeten toeleggen op het benoemen van gemeenschappelijke waarden en het geven van steun aan allerlei vormen van ontmoeting en samenwerking in buurten en wijken. Zij zijn het die de nieuwe gemene delers binnen de samenleving op heldere wijze moeten communiceren naar allochtoon – autochtoon, links - rechts en jong – oud. De gemene deler ligt in kennen en gekend worden: veel bewoners zijn bezorgd over de sociale kwaliteit van onze samenleving. Ongeacht afkomst, kleur of leeftijd spreekt daaruit impliciet de behoefte aan meer verbondenheid tussen de ‘groepen’. Aan ‘kleffe’ saamhorigheid is geen behoefte. Maar eens een praatje kunnen maken met de buurman en elkaar onderling durven aanspreken op ongewenst gedrag: dat zijn wél kenmerken van gewenste sociale samenhang waar het welzijnswerk op in moet springen. Het organiseren van ontmoeting en dialoog tussen bewoners in de wijk is één van de oplossingen om spanningen in de wijk tegen te gaan.

Zwakste belang

Maar hoe kan een welzijnsinstelling die gericht is op samenlevingsopbouw en solidariteit tussen groepen een ‘verrechtste’ samenleving bedienen? De welzijnswerker zou binnen het palet aan leefstijlen stelling moeten nemen. Hij moet blijven opkomen voor het zwakste belang en het meest miskende verlangen. Kunst is echter het zwakste belang er uit te halen. Dit is tegenwoordig makkelijker gezegd dan gedaan. In wijken met een grote verscheidenheid aan achterstandsgroepen zal ‘het zwakste belang’ steeds per geval opnieuw gedefinieerd moeten worden. Een pragmatische aanpak is dan ook noodzakelijk. Het vereist een grote flexibiliteit in combinatie met een flinke dosis inlevingsvermogen om aan de ene kant verslaafden, dak- en thuislozen, illegalen, junks en prostituees in het ‘meet-and-greet’-proces te betrekken en aan de andere kant de middenklassers en allochtone vrouwen niet te verliezen. Een van deze groepen sociaal uitsluiten, betekent immers behoud van de onleefbaarheid en onveiligheidgevoelens in die straat. De welzijnswerker moet zijn producten dan ook aan al deze groepen in de samenleving kunnen verkopen. Daartoe dient hij service te verlenen, steeds weer juiste prioriteiten te stellen en dat allemaal in een marktomgeving die vraagt om verantwoording. Hiervoor zal hij getraind moeten worden.

Het krachtenveld waarin de welzijnsinstelling zich beweegt wordt steeds complexer. Reïntegratiebedrijven, zelforganisaties, zorginstellingen, vluchtelingenwerk, opleidingscentra zoals het ROC, adviesbureaus - allen begeven zich op het terrein van het welzijnswerk en richten zich tot de groepen die traditioneel tot de doelgroep van de welzijnsinstelling behoren. Zij hebben hun eigen netwerken, inzichten en aanknooppunten ontwikkeld en lijken soms over betere methodieken te beschikken die meer toegesneden zijn op de doelgroep. Gemeenten zien dit ook en gaan bij het uitbesteden van taken steeds vaker met een schuin oog naar andere organisaties dan de welzijnsinstelling kijken. Ook dit pleit voor een herpositionering.

De welzijnsinstelling zal haar core business moeten herijken aan de nieuwe samenleving, haar vijver aan kennis en netwerken weer eens kritisch moeten beschouwen en in haar samenwerkingsrelaties nieuwe verbindingen aan moeten gaan. Waarom geen kinderopvangvoorziening in de moskee?

Khalid Boutachekourt

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden