Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Studies effectiviteit jeugdinterventies niet objectief

Zijn Nederlandse studies naar interventies wel betrouwbaar? Die vraag probeert Ferry Goossens, medewerker van het Trimbos instituut, te beantwoorden. ‘In slechts zestien procent van het onderzoek dat ik bestudeerd heb, waren alle auteurs volledig onafhankelijk.’
Interventie
'Slechts zestien procent van de onderzoekartikelen naar interventies in de jeugdzorg zijn volledig onafhankelijk.' - Foto: iStockphoto

Goossens bestudeerde 86 Nederlandse onderzoeken naar 26 jeugdinterventies voor opgroeien en opvoeden, die allemaal als ‘effectief’ staan beoordeeld in de databank Effectieve Jeugdinterventies. Hij wilde weten of deze onderzoeken zijn uitgevoerd door onafhankelijke onderzoekers. Goossens: ‘Onafhankelijk betekent voor mij dat de onderzoeker noch de interventie heeft ontwikkeld, noch een collega van hem of haar is, noch werkt voor de licentiehouder van het programma. Daarnaast heb ik gekeken in hoeverre een dergelijke belangenverstrengeling correct is aangegeven in de onderzoekartikelen.’

Belangenverstrengeling

Goossens concludeert dat in slechts zestien procent van de onderzoeksartikelen de auteurs volledig onafhankelijk waren. ‘Dat is een laag percentage, in het bijzonder omdat deze potentiële belangenverstrengeling slechts zelden correct stond beschreven in een conflict of interest statement.’

In de jeugdzorg wordt veel gewerkt met evidence based interventies. Maatjesprojecten zijn de populairste en meest gebruikte interventies in de sociale sector in Nederland. Maar zijn ze ook effectief? Lees meer>>

Effectieve interventies

Toch is het volgens Goossens wel begrijpelijk dat er weinig écht onafhankelijke onderzoeken gedaan worden naar de effectiviteit van interventies. ‘Een interventie wordt vaak ontwikkeld in een aantal stadia. Er ontstaat een idee, er wordt een model gemaakt en vervolgens wordt door de bedenkers onderzocht of de preventie ook effect heeft. Daarna volgt vaak een wat groter onderzoek waarbij de licentiehouder vaak ook betrokken is omdat die goed weet hoe de preventie ingezet moet worden. Dit is allemaal heel logisch. Idealiter zou je zo’n preventie moeten gaan inzetten in de dagelijkse praktijk en het onderzoek naar de effectiviteit zou dan nog een aantal keer moeten worden herhaald. Met onafhankelijke partijen, om te zien of het ook écht werkt. Maar voor dat laatste stadium zijn vaak geen middelen beschikbaar.’

Onderzoek

Goossens is ervan overtuigd dat het op de lange termijn zou lonen als er wel middelen worden vrijgemaakt voor meer onderzoek naar effectiviteit. ‘Uiteindelijk zijn we op zoek naar interventies die werken in de dagelijkse praktijk als de ontwikkelaars er zelf niet bij zijn. Wil je dat bereiken, dan zal je meer onderzoek moeten doen naar de effectiviteit van een interventie.'

Nieuwe behandeling

Het gaat daarbij ook om wat op de lange termijn goedkoper is, zegt Goossens: 'Als je interventies inzet waarvan later blijkt dat ze toch niet goed werken, heb je eigenlijk ook geld en tijd weggegooid. Je hoopt dat je in een ziekenhuis niet een arts tegen komt die een nieuwe behandeling gaat inzetten, zonder dat echt bekend is dat deze ook werkt of wat de effecten zijn. Waarom doen we dat in de jeugdzorg dan wel? Het is tijd om stappen verder te zetten. Daar moeten ook middelen voor gaan komen.’

Sophie van Hogendorp

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden