Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Meer nodig dan bad, bed en brood

De laatste tijd verschijnen er regelmatig onderzoeken over zwerfjongeren in Nederland. Steeds weer blijkt dat het met de opvang redelijk is gesteld, maar dat de begeleiding te wensen over laat. ‘Er is gelatenheid bij hulpverleners. Het frisse is er vanaf.’
Meer nodig dan bad, bed en brood

Driekwart van de vijfduizend zwerfjongeren in Nederland heeft een vaste hulpverlener. Maar het contact blijft beperkt tot het regelen van praktische zaken. Zwerfjongeren bestempelen hulpverleners zelden tot een belangrijke persoon of steunpilaar in hun leven. Of dat een tegenvaller is? Peter Rensen, onderzoeker bij MOVISIE: ‘Nee, maar het was aardig geweest als deze jongeren, vanuit hun eigen visie, wel steun hadden ontvangen.’


Rensen werkt namens Movisie mee aan het internationale onderzoek Combating Youth Homelessness, waarbij de situatie van zwerfjongeren in Nederland, Tsjechië, Engeland en Portugal wordt bestudeerd. Deze vier landen brachten onlangs een rapport uit over de stand van zaken in eigen land, mede met behulp van zwerfjongeren die interviews met hun lotgenoten afnamen.


De laatste fase van het driejarige project is een internationale vergelijking. Rensen is niet ontevreden met de resultaten over de opvang in Nederland. Zeker niet vergeleken met Tsjechië en Portugal, waar de opvang nog op het niveau van bed, brood en bad verkeert. ‘Ons hulpaanbod is erg divers, alleen ontbreekt het vaak aan tijd bij de hulpverleners zelf. Het kost tijd en rust om het vertrouwen van deze jongeren te winnen. En dat is weer hard nodig om hun problemen op een goede manier aan te pakken.’

Vertrouwen kwijt
Het viel Rensen op dat het gros van de zwerfjongeren afkomstig is uit gebroken gezinnen. Relatief veel kinderen leven al op jonge leeftijd buiten een gezinssituatie. Zo woont 8 procent op 12-jarige leeftijd in een kindertehuis en zit 6 procent dan al in een gesloten inrichting of detentie. ‘Deze jongeren zijn het vertrouwen in volwassenen kwijtgeraakt. Het is moeilijk voor hulpverleners om dat gat op te vullen. Dat kost tijd. Ook is er door hun gezinssituatie vaak sprake van een autoriteitsprobleem.’
Rensen benadrukt dat de hulpverlening moet proberen deze jongeren bij zich te houden, onder meer door een individuele benadering. ‘Bij de eerste opvang moet er zorgvuldig worden doorverwezen door goed te kijken wat er aan de hand is. Omdat er vaak meerdere problemen spelen, weten hulpverleners zich geen raad.’

In het onderzoek werd namelijk duidelijk dat 62 procent van de zwerfjongeren met schulden kampt (gemiddeld 5000 euro), 62 procent werkloos is, 57 procent een uitkering heeft en 58 procent in detentie (of gesloten opvang) heeft gezeten. ‘Treurige uitkomsten’, vindt Rensen, ‘maar hoopgevend is dat maar liefst 80 procent zich begeeft op Hyves en Facebook. Hulpverleners zouden daarop moeten inspringen. Via internet zijn er wellicht mogelijkheden, bijvoorbeeld door het verschaffen van informatie over opvangvoorzieningen.’

Hoewel Portugal en Tsjechië veel kunnen opsteken van methodes die in Nederland worden gebruikt, zoals het achtfasenmodel, kan Nederland op haar beurt leren van Engeland. Rensen: ‘Daar zijn ze verder met het evalueren van methodes. Hier wordt veel op poten gezet, maar nog niet genoeg bekeken wat werkt en voor wie specifiek.’

Maar we moeten ook durven te relativeren, vindt Rensen. ‘Vijfduizend zwerfjongeren is te overzien, zeker gezien de huidige grote inzet van hulp. Daarnaast is het inherent aan onze samenleving. Er zullen altijd gebroken gezinnen zijn, er zullen ook altijd weglopers zijn.’

Psychische problemen
Hella Masuger van Stichting Zwerfjongeren Nederland (SZN) is eveneens bekend met de multiproblematiek waarmee zwerfjongeren kampen. SZN pleit ervoor dat er op beleidsniveau veranderingen plaatsvinden. ‘Nu steekt de financiering lastig in elkaar. Dat komt de kwaliteit van de opvang niet ten goede. Het geld komt uit verschillende potjes, van AWBZ tot provincie en gemeente.’
Masuger : ‘Een integraal budget werkt beter, zodat een jongere bijvoorbeeld een half jaar lang op pad wordt geholpen op alle terreinen die voor hem problemen opleveren. Daarnaast moet er meer aandacht zijn voor goede indicatiestelling. Zeker omdat veel jongeren psychische problemen hebben.’
Over de opvang zelf wil Masuger vooral kwijt dat er een tekort is. ‘Uit het rapport van de Algemene Rekenkamer bleek dat 23 van de 43 centrumgemeenten iets doen aan opvang voor zwerfjongeren. De rest dus niet.’ Of de opvangcentra die er wél zijn, voldoen? ‘Die is nu vooral beheersmatig, gericht op het gebouw en het personeel. Het gaat te vaak om bad, bed en brood. De vraag wat iemand met zijn leven wil,  is een stap te ver.’

Gelatenheid
Maarten Davelaar, onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut, heeft soortgelijke bevindingen. ‘Veiligheid, bad, bed en brood zijn goed geregeld, maar het probleem zit vaker bij de begeleiding. Er is gelatenheid bij hulpverleners. Het frisse is er vanaf. Er kan harder gelopen worden om een jongere bijvoorbeeld een opleiding te laten zoeken.’
In het onderzoek ‘Jongeren keuren hun opvangvoorziening’ hebben zwerfjongeren zelf de opvangvoorzieningen in Amsterdam beoordeeld. De resultaten zijn teruggekoppeld naar de instantie, die vervolgens verbeteringen moest aanbrengen om de herkeuring te doorstaan. Deze PAJA-methode (Participatie Audit voor zwerfJongeren in Amsterdam), die zo’n negen maanden is gehanteerd, is volgens Davelaar succesvol. ‘Het gaat om empowerment van de jongeren zelf. Zij ontwikkelen vaardigheden en ontdekken hun eigen capaciteiten. Ze leren geen kunstje, maar zijn actief in de echte wereld. Zo ervaren ze dat ze invloed kunnen uitoefenen op hun eigen situatie.’
Zo kwamen er klachten op tafel over het blowbeleid, de kwaliteit van de maaltijden en het schorsingsbeleid. Door erover in gesprek te gaan met leidinggevenden, ontstond er meer begrip. ‘Ze ontdekten dat zelf koken niet mogelijk was vanwege veiligheidsvoorschriften’, aldus Davelaar. ‘Dat begrepen de jongeren. Samen zijn ze naar alternatieven gaan zoeken. Van klagen komen ze tot begrijpen.’

Davelaar denkt dat het inzetten van de doelgroep zélf sneller werkt dan het laten doen van officieel onderzoek. ‘Je moet met heel veel jongeren heel lang praten om de vinger op de zere plek te kunnen leggen. Met de PAJA-methode gaat dat veel sneller. Het levert ook meer daadkracht op, omdat medewerkers de resultaten niet terzijde kunnen leggen. Er komt per slot van rekening een niet-vrijblijvende herkeuring.’ Het leereffect is groot, voor zowel jongeren als medewerkers. ‘Jongeren krijgen meer grip op hun levenssituatie, en medewerkers hebben weer een frisse blik. Dat komt de kwaliteit van de opvang alleen maar ten goede.’

Dit artikel staat in Zorg + Welzijn Magazine nummer 2, februari 2010.

Mariëlle van Bussel/fotografie Claudia Kamergorodski

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden