Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

‘Gesloten deuren voeden radicalisering’

Iedere adolescent gaat op zeker moment op zoek naar wie hij is. Marokkaanse jongeren kampen wat dat aangaat met een stevig imagoprobleem. Sommigen zoeken houvast bij een radicaal islamitische groep. Hoe voorkom je dat? Arjan de Wolf:‘Breng in het clubhuis Marokkaanse en andere jongeren samen.’
‘Gesloten deuren voeden radicalisering’

In de jaren ’90 gaf sociaal psycholoog Arjan de Wolf nog gymles op een school in Slotervaart/Overtoomse Veld, de wijk waar Mohammed B opgroeide. Na de moord op Theo van Gogh vroeg hij zich af hoe ‘een leerling als zo vele’ daartoe in staat was. Hij zocht een antwoord. Samen met sociaal psycholoog Bertjan Doosje, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, bracht hij het radicaliseringsproces in beeld. Afgelopen zomer verscheen hun boek, Aanpak van radicalisering. Het omvat een beschrijving van de verschillende fasen van het proces, met praktische interventies.

In uw boek beschrijft u dat proces aan de hand van islamitische radicalisering.
‘Dat doen we aan de hand van het trappenhuismodel van Moghaddam. Daarin beklimmen mensen tussen de begane grond en de vijfde verdieping een steeds smaller wordend trappenhuis. Op iedere verdieping zijn er deuren die al dan niet kunnen worden geopend – afhankelijk daarvan radicaliseert iemand verder of juist niet. Wil je radicalisering aanpakken, dan is de werkwijze afhankelijk van waar iemand zich in dat proces bevindt.’

Hoe zou u een jongere beschrijven die zich op de begane grond van het trappenhuis bevindt?
‘Die voelt zich achtergesteld, niet geaccepteerd. Hij heeft bijvoorbeeld geen stageplaats kunnen vinden. Dat is een veelvoorkomend probleem. Er is onderzoek gedaan waarin gesolliciteerd werd naar een stageplek. Heet je Veenstra, dan blijken er veel meer stageplaatsen te zijn en word je veel eerder uitgenodigd dan wanneer je Ben Saïdi heet. Er bestaat dus echt achterstelling. Dat kan een drijfveer zijn voor radicalisering.’

Hoe zou u een jongere beschrijven die zich op de begane grond van het trappenhuis bevindt?
‘Die voelt zich achtergesteld, niet geaccepteerd. Hij heeft bijvoorbeeld geen stageplaats kunnen vinden. Dat is een veelvoorkomend probleem. Er is onderzoek gedaan waarin gesolliciteerd werd naar een stageplek. Heet je Veenstra, dan blijken er veel meer stageplaatsen te zijn en word je veel eerder uitgenodigd dan wanneer je Ben Saïdi heet. Er bestaat dus echt achterstelling. Dat kan een drijfveer zijn voor radicalisering.’

Zijn er nog andere risicofactoren?
‘Een tweede drijfveer is onzekerheid over je identiteit. Iedereen krijgt daar tijdens de adolescentiefase mee te maken. Maar als je Marokkaan bent, dan heb je het wel zwaar. Dan leef je buitenshuis volgens westerse normen en waarden, terwijl thuis misschien streng islamitische opvattingen heersen. Wie en wat ben je dan uiteindelijk? Daar komt bij dat je in Nederland aan je Marokkaan-zijn nauwelijks een positieve identiteit kunt ontlenen. In de maatschappij worden voor Marokkanen termen gebezigd als “tuig”, “kut-Marokkanen”, “diefjes”. Het woord “moslim” heeft een positievere klank, zeker binnen de eigen gemeenschap. Wanneer je echt moslim wordt en naar de Koran gaat leven, zul je worden geaccepteerd door andere moslims. Die acceptatie biedt een warm bad waar je een positieve identiteit aan kunt ontlenen.’

Wat kan er met onzekere jongeren gebeuren?
‘Vanuit onzekerheid over hun identiteit zijn mensen geneigd tot groepen te behoren die een hele duidelijke signatuur hebben. Dat zijn vaak orthodoxe groepen met heldere regels en normen. Daarnaast zoeken jongeren ook op internet naar anderen die zich voelen zoals zij. Dan kan het gebeuren dat ze steeds meer met gelijkgezinden en steeds minder met andersdenkenden praten.’

Er zijn wel meer groepen die dergelijke duidelijkheid bieden: het studentencorps, de Hells Angels, noem maar op.
‘Groepsprocessen zie je overal in de maatschappij. Maar niet elke groep staat intolerant tegenover anderen. Radicalisering is een proces waarin iemand steeds extremere denkbeelden krijgt. Radicale groepen willen vanuit hun denkbeeld de samenleving veranderen. Rechts, links en islamitisch radicalisme hebben misschien een andere oorzaak, maar het proces van radicalisering is hetzelfde.’

Wat kan een jongerenwerker doen die merkt dat een jongere zoekende is?
‘Het is belangrijk om veel met jongeren te praten over wat er in hen omgaat. Als je merkt dat een jongere het gevoel heeft dat er deuren voor hem gesloten blijven, bespreek dat dan. En maak duidelijk dat het wél mogelijk is om verder te komen in de maatschappij. Daarvoor kun je verwijzen naar voorbeelden als burgemeester Aboutaleb, Najib Amhali en Khalid Boulahrouz: Marokkanen die het gelukt is. Maar helaas zijn dat er niet veel.’

U beschrijft dat jongeren die zich niet geaccepteerd voelen, zich naar de eerste verdieping van het trappenhuis bewegen. Wat houdt dat in?
‘Zij zullen in eerste instantie proberen om iets te doen aan de ervaren ongelijkheid en hogerop te komen in de maatschappij. Daarbij hebben hoger opgeleiden een grotere kans om zich achtergesteld te voelen. Als je een kwartje bent en je wordt constant als een dubbeltje behandeld, dan is dat heel vervelend. De frustraties zijn des te groter als je veel in je mars hebt, veel hebt geïnvesteerd in je opleiding en het uiteindelijk toch niet lukt om mee te doen.

Mensen die radicaliseren, hebben vaak eerst geprobeerd om iets aan ongelijkheid en onrecht te doen. Mohammed B. wilde een betere positie voor Marokkaanse jongeren in zijn buurt. Hij diende een plan in voor een tweede jongerencentrum, maar de subsidieaanvraag werd resoluut afgewezen. Hij probeerde deuren te openen, maar die bleven gesloten.’

U noemt ook sociale affiliatie als risicofactor. Wat is dat?
‘Daarbij gaat het om de vraag met wie je omgaat. Met mensen die je vaker ziet, kweek je eerder een band. Een goede mix en diversiteit in de nabijheid kan het risico op radicalisering beperken. Zwarte scholen zijn daarom geen goede ontwikkeling. Daarnaast kunnen gemeenteambtenaren beïnvloeden hoe een wijk eruitziet. En als in een clubhuis alleen Marokkaanse jongeren komen, terwijl er in de buurt ook Nederlandse jongeren zijn, waarom zou je ze dan niet samenbrengen? Samen dingen doen, dat is belangrijk.’
 
Dat kan voor jongerenwerkers een dilemma zijn: ze proberen Marokkaanse jongeren binnen te krijgen en zijn in eerste instantie misschien niet zo kritisch op hun denkbeelden.
‘Een jongerenwerker moet in ieder geval een band kweken met jongeren. Is er die er niet, dan zal het de jongeren worst wezen wat hij zegt. Maar of je ze zelf ook op andere gedachten moet brengen? Als je heel veel krediet krijgt, dan kan dat. Een jongerenwerker moet in ieder geval kenmerken van radicalisering kunnen opmerken. Zit een jongere bij een radicale groep, dan zal die proberen om hem los te weken van andere contacten. Dat gaat geleidelijk. Er wordt gevraagd om niet meer naar het buurthuis te gaan, bepaalde vrienden toch liever niet meer te zien.’

Hoe kun je dat proces beïnvloeden?
‘Als een jongere tot een nieuwe groep gaat horen, krijgt hij vaak een nieuwe identiteit. Je kunt hem dan in ieder geval aanspreken op zijn oude identiteit. Denkbeelden en gedrag die volgens jou niet kloppen, kun je in het contact toetsen aan het vroegere gedrag. “Vrouwen een hand geven, dat heb je toch altijd gedaan? Wat was daar fout aan?”. Daarmee continueer je de oude identiteit. En het helpt om de jongere te laten nadenken over de stappen die hij maakt.’

Stel dat een jongere toch radicaliseert, kun je dat dan herkennen aan het veranderen van de kleding, bijvoorbeeld het dragen van een broek tot boven de enkels of een niqaab?
‘Kleding kan een signaal zijn. Maar in feite is één signaal geen signaal: je hebt er meer nodig. En daarvoor moet je het proces kennen. Die kleding zal waarschijnlijk wel betekenen dat de jongere zichzelf als gelovige ziet of tot een gelovige groep behoort. Maar dat wil nog niet zeggen dat het een radicaal geloof is. Het kan ook gematigd zijn. Anderzijds gaan moslimjongeren zich vaak juist weer westers kleden als radicalisering overgaat in terrorisme. Dat is interessant, want als je als jongerenwerker een jongen weer in spijkerbroek ziet, moet je niet meteen denken dat de gril over is. Dat kan, maar het hoeft niet. Juist dan is het aardig om hem eens binnen te halen voor een gesprek. Of om de signalen door te geven.’

U bent voorstander van een systeemaanpak. Hoe ziet dat eruit?
‘Het begint ermee dat je het sociale systeem van een jongere goed in kaart brengt. In eerste instantie moet je het hebben van de contacten die een jongere al heeft: bijvoorbeeld met de ouders, een broer, een docent, de buurtregisseur, de jongerenwerker of de voetbaltrainer. Alleen weten die mensen vaak niet hoe ze met radicalisering moeten omgaan.’

Binnen de systeemaanpak zou je al die contacten op elkaar moeten afstemmen. Dat lijkt me niet eenvoudig.
‘Dat is ook niet zo simpel. Amsterdam kent daarvoor inmiddels een Meldpunt Radicalisering, Rotterdam het Informatieschakelpunt Radicalisering. Iedereen kan daar terecht met vragen en signalen. Ontbreekt zo’n laagdrempelig punt, dan kun je als jongerenwerker, docent of voetbaltrainer wel signaleren dat een jongere verandert, maar dan kun je er weinig mee.
De meldpunten onderhouden contact met partners als scholen en het jongerenwerk. Daarnaast werken in sommige politieregio’s schooladoptanten: politiemensen of jeugdagenten die op school voorlichting geven over vuurwerk, kluisjes controleren en bij problemen worden ingeschakeld. Voor een docent is het gemakkelijk om zo iemand aan te spreken.
Wat je in ieder geval moet voorkomen, is dat een jongere geïsoleerd raakt in een radicale groep: dat hij zijn oude vrienden niet meer ziet, alleen nog met gelijkgezinden omgaat en zijn vertrouwde moskee gedag zegt omdat hij die niet extreem genoeg vindt. Vanuit isolatie gaat het radicaliseringsproces enorm snel en verlies je de toegang tot een jongere.’

Wat zijn volgens u de effecten van het huidige politieke klimaat?
‘De meeste maatregelen in het regeerakkoord zijn niet gek of discriminerend. Dat valt reuze mee. Maar de regering is wel een product van de Nederlandse maatschappij. Het imago van Wilders, en dan chargeer ik een beetje, is nu wel het imago van Nederland geworden. Er zijn vele redenen waarom mensen op de PVV kunnen hebben gestemd. Maar dat Wilders zoveel stemmen heeft gekregen, maakt de kans groter dat er een gevoel ontstaat dat de maatschappij minder tolerant is ten opzichte van de islam. Het gevoel niet mee te mogen doen kan daardoor worden aangewakkerd en een voedingsbodem zijn voor radicalisering.’

Dit artikel staat in Zorg + Welzijn Magazine nr 11, november 2010.

Hedwig Ramirez Londoño-Neggers fotografie/Fotopersbureau Dijkstra

Gerelateerde tags

2 reacties

  • no-profile-image

    Marianne

    Ik sluit mij deels bij mijn voorgangster aan. Het vormen van een mix in het buurt- en clubhuis wezen is een veel lastiger gegeven dan in het artikel (hoe aardig ook) aangegeven wordt. Een paar jaar geleden werd dit thema in Leiden aan de orde gesteld door de wethouder tijdens een wijkdebat. De zaal zat vol met jongeren, positief geïnteresseerden en een enkele lokale politicus. Wat opviel was dat de groep jongeren volstrekt eenzijdig was. Geen kaaskop te bekennen, op één jongen na. Hij was uit interesse gekomen en woonde niet in de betreffende wijk. 'Heel eng' vond hij het om zich te mengen onder de antiliaanse jongeren, met veel gevoel voor humor. Maar juist dát was wél een reden voor anderen om weg te blijven. Optrekken binnen je eigen groep omdat het je onderscheiden door aansluiting te zoeken bij een andere groep een hoop negatieve reacties van je eigen én de bezochte groep op levert.

    Niettemin moet deze zoektocht wel voortgezet worden. Maar ik heb sterk de indruk dat dit op scholen al gebeurd. Daar vind veel ontmoeting plaats. En wel zo dat ik mij soms ook afvraag of politiek Den Haag niet meer problemen op het vlak van integratie lijkt te zien dan er feitelijk zíjn in de samenleving. We moeten onze maakbaarheidsideëen een beetje los durven laten en de factor tijd ook z'n werk durven te laten doen. Daarnaast: veel voorzieningen generiek aanbieden ipv specifiek, het liefst in multi functionele gebouwen. Zo kom je elkaar tegen en heeft ontmoeting veel meer kans van slagen.

  • no-profile-image

    Kitty van den Hoek

    In het artikel in Zorg + Welzijn Magazine adviseert De Wolf om een 'goede mix' te maken van het publiek dat bijvoorbeeld jongerencentra bezoekt. 'Met mensen die je vaker ziet, kweek je eerder een band.' Marokkaanse en Nederlandse jongeren door elkaar, dat zou radicalisering kunnen voorkomen.
    Volgens mij is dit een al te eenvoudige en weinig praktische voorstelling van zaken. Mensen zijn geneigd om met gelijkgestemden om te gaan. Iedere jongerenwerker kan je vertellen hoe moeilijk het is om diversiteit te krijgen in het publiek van clubhuizen. Dat is zowel in multi-etnische stadswijken als in witte kleine kernen erg moeilijk. Bovendien lijkt het er nu op of etniciteit de bepalende factor is in 'de goede mix'. Volgens mij kun je beter anders mixen: op opleidingsniveau, sociaal-economische status en cultureel kapitaal. Immers, hoogopgeleide Marokkaanse jongeren uit middenklassegezinnen mixen met Nederlandse vmbo'ers uit arbeidersgezinnen, dat kan toch niet de mix zijn die Arjan de Wolf bedoelt? Bowen Paulle (UvA) schreef hier overigens hele interessante bevindingen over: http://www.bowenpaulle.nl/content.php?id=16

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden