Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

‘Ik sla een brug tussen bewoners en stadsdeel’

Baltus Simson is wijkcoördinator van het stadsdeel Amsterdam-Zuidoost. Eerder was hij gevangenbewaarder, groepsleider, maatschappelijk werker, Halt-consulent, casemanager en beleidsmedewerker jeugd.
‘Ik sla een brug tussen bewoners en stadsdeel’

Door Martin Zuithof - ‘Ik ben hier in Kralenbeek opgegroeid, in de hoogbouw. In 1973 ben ik er met mijn ouders vanuit Suriname komen wonen. De jaren ’80 waren grimmig, met werkloosheid. Alle flats stonden er nog. Niemand wilde hier wonen. Veel vrienden deden dingen die niet mochten. Je moest een heel sterk karakter hebben en een heel strenge moeder om daar niet in mee te gaan. Ik kwam soms op het voetbalveld en dan vroeg ik: “Waar is iedereen?” Dan zaten veel jongens weer in de jeugdgevangenis.’

‘Ik ben in dienst geweest, heb in de beveiliging gewerkt en daarna bij de Bijlmerbajes. Toen kreeg ik de kans om bij de Nieuwe Lloyd, de vroegere jeugdgevangenis, groepswerker te worden. Ik wist precies hoe ik die jongeren rustig kreeg als ze agressief binnenkwamen. Bij mij accepteerden ze dat omdat ik ook eerlijk was. Als die jongeren voelen dat je ze respecteert, respecteren ze jou ook.’
‘Ik heb daarna sociale academie gedaan en werd maatschappelijk werker. Ik zag veel ellende en dacht: “dat hebben die jongeren in de gevangenis ook allemaal meegemaakt”. Ik nam de ellende mee naar huis. Daardoor hield ik het niet lang vol als maatschappelijk werker bij het project Nieuwe Perspectieven. Ik bracht gezinssystemen in kaart en keek welke personen de jongere konden steunen. Maar in die gezinnen was  de moeder soms een alcoholiste en gaf de vader jointjes aan zijn zoon.’

Ondergoed
‘Daarna werkte ik bij Bureau Halt, voor alternatieve straffen voor jongeren. Ik maakte proces-verbalen op en gaf op scholen voorlichting aan kinderen. Ik kreeg een Turks meisje aan mijn bureau. Ze had ondergoed gestolen, maar ontkende dat. Ze was bang dat ze thuis klappen zou krijgen. We konden haar eigenlijk niet helpen.’
‘Na twee jaar dacht ik ook daar: “Waar zijn we mee bezig?” Sommige problemen kun je zo niet oplossen, daarom wilde ik bij de gemeente beleidsmedewerker worden. Om dingen te kunnen veranderen. Ik werd bij Amsterdam-Zuidoost beleidsmedewerker Jeugd en wilde ervoor zorgen dat de uitvoerders hun werk goed konden doen. Twee jaar lang schreef ik alleen maar beleidsstukken. Daarbij kwam politiek om de hoek kijken. Je kunt de dingen soms niet zo opschrijven als ze werkelijk zijn. Je moet compromissen in je tekst verwerken.’

‘Ik schreef bijvoorbeeld een notitie over tienermoederschap, een heel heikel punt in Zuidoost. Maar die is nooit afgekomen, ook na mij niet. Het gaat om preventie, voorlichting, kinderopvang, zodat die meiden terug kunnen naar school. Zij hebben geen goede rolmodellen. Hun moeders waren vaak ook al tienermoeder. Hetzelfde geldt voor criminaliteit: sommige kinderen groeien op in omstandigheden waarin ze denken dat het normaal is om te stelen of te slaan. Dat is de straat, het getto.’
‘Na twee jaar als beleidsmedewerker jeugd vond ik dat ik maar moeilijk kon beïnvloeden wat er op straat gebeurt. Ik wil graag een functie tussen beleid en uitvoering. Eerst werd ik casemanager voor voortijdige schoolverlaters. Ik had een aantal jongeren onder me, deed huisbezoeken en was met het jongerenloket van de Dienst Werk en Inkomen in gesprek om te kijken of zij de jongeren aan werk konden helpen. Toen liep ik weer tegen het beleid aan. Jongeren werden soms al na één gesprek in een traject geplaatst. Ook als zo’n jongen het maar twee dagen volhield, kreeg die organisatie daar geld voor.’

Politieke fabeltjes
‘Drie jaar geleden werd ik benaderd door het afdelingshoofd van Leefbaarheid. Die zocht een wijkcoördinator voor het organiseren van bewonersavonden, het verdedigen van het beleid van het stadsdeel en een kritische blik naar collega’s. Ik adviseer de politiek over de wijken. De Vogelaar-wijken zijn steeds belangrijker. Ik moet wijkvisies schrijven die aansluiten op de realiteit, geen politieke fabeltjes. Ik zit nu op mijn plek. Na drie jaar vind ik mijn werk nog steeds leuk. Als ik signalen krijg over het jongerenwerk, neem ik contact op met de afdeling Jeugd. Ik help ze het beleid en de praktijk bij elkaar te brengen. Eindelijk heb ik de brugfunctie die ik altijd wilde: tussen bewoners en het stadsdeel.’
‘We hebben hier criminele groepen waar zelfs politieagenten bang voor zijn. Hoe kom je nou in contact met jongeren waar ook de wijkagent niets mee heeft? Daarvoor ben ik het project Streetcomedians gestart. Met een groep stand-upcomedians gaan we naar die groepen toe. Zo brengen we een relaxte sfeer. Sommige collega’s waren nogal sceptisch, maar mijn idee was om met humor en muziek weer een ingang te krijgen. Dan kunnen andere professionals zich daar weer bij aansluiten.’

Mes
‘Ik ben meegegaan naar die zware groepen in Holendrecht en merkte hoe agressief ze waren. De Streetcomedians gingen rappen en die jongeren deden mee. Iemand trok een mes. Ik wilde vertrekken, maar het bleek alleen een dreigement, om een statement te maken. Toen de meisjes gingen mee rappen, veranderde de sfeer. De jongens begonnen met mij te kletsen. “Bent u van het stadsdeel? Kunt u dan wat aan het buurthuis doen, want wij mogen er niet in.” Ik heb intussen gehoord dat het nog erger is geworden in Holendrecht. Volgens mij komt dat omdat het project niet verder is ontwikkeld. Streetcomedians zijn maar een onderdeel van een heel pakket aan maatregelen. Je moet ook gewoon verder met repressie. En met jongerenwerk. Je moet je kaarten nooit op één aanpak zetten.’

Dit artikel staat in Zorg + Welzijn Magazine nummer 9, september 2009.

Martin Zuithof/fotografie Claudia Kamergorodski

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden