Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Hoogleraar Opvoeden: 'Kinderen maken uitsluiting mee'

Prof. dr. Trees Pels is bijzonder hoogleraar Opvoeden in de multi-etnische stad. Ze wil onderzoeken hoe instellingen, onderwijs, gemeenten en ouders samen het ‘pedagogisch vacuüm’ waarin jongeren verkeren, kunnen doorbreken. ‘Als we niet de hand reiken aan de moskee, zijn we fout bezig.’
Hoogleraar Opvoeden: 'Kinderen maken uitsluiting mee'

Door Martin Zuithof: Ondanks de steeds hardere toon van het integratiedebat is Trees Pels nog altijd optimistisch, zegt ze. ‘We hebben een veel betere professionele infrastructuur dan in de jaren ’70. Tegelijkertijd is er door de komst van vluchtelingen en huwelijksimport nog steeds nieuwe instroom. De klacht is vaak: “Het begint steeds weer opnieuw”. Maar zeker de grotere migrantengroepen komen, veel meer dan vroeger, in een gespreid bedje. Bovendien zijn er over de generaties heen enorme veranderingen te zien. De jongere generatie is ook hoger opgeleid.’

Trees Pels, nu werkzaam aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, begon eind jaren ’70 als onderzoeker bij de Raad voor het Jeugdbeleid. Sindsdien deed ze talloze onderzoeken naar allochtone jongeren, opvoedingspatronen en integratiekwesties. Pels studeerde psychologie en promoveerde in 1991 op onderzoek naar de opvoeding en ontwikkeling van Marokkaanse en Nederlandse kleuters. Sinds 2002 is ze senioronderzoeker en coördinator van de themagroep Multiculturele Vraagstukken bij het Verwey-Jonker Instituut. Ze was een van de onderzoekers die in 2003 het grote evaluatieonderzoek naar het integratiebeleid uitvoerde. ‘Dat werd al voor het uitkwam totaal de grond ingeboord, ook door minister Verdonk’, herinnert ze zich. ‘Voorzitter Stef Blok (VVD) heeft het rapport enorm verdedigd. Uiteindelijk hield hij ook staande dat je uit onze evaluatie toch kon opmaken dat er veel bereikt is, en niet alles ellende was. We concludeerden wel dat hier en daar de zaken fors uit de hand liepen. Maar als je kijkt naar de startpositie, zeker in het onderwijs, hoeven we niet helemaal ontevreden te zijn. Daarnaast is erkend dat het wel degelijk wetenschappelijk gefundeerd onderzoek was.’
                                                                                                
Het integratiedebat is keihard. Hoe ziet u dat?
‘Het is heftiger geworden, tot op het groteske af. Ik loop al heel lang mee. Dan kijk je ook breder dan alleen naar opvoeding, ook naar integratie en de sociologische context. Dat heeft ook invloed op de positie van mensen, hun opvoeding en ontwikkeling. Gezinnen en jongeren worden geconfronteerd met negatieve beeldvorming, stigmatisering. Opvoeders hebben er een nieuwe taak aan.
Ik hoor nu vaak van ouders, ook van de jongere generatie, dat hen er veel aan gelegen is dat hun kinderen loyaal blijven aan hun afkomst, maar vooral ook Nederlands zijn. Dit is hun land, hier moeten ze hun toekomst bouwen, zich ontplooien. Als je kind dan thuiskomt met: “Ik ben helemaal geen Nederlander, op school zeggen ze dat ik een Marokkaan ben”, dan is dat moeilijk. Ze maken uitsluiting mee, ze horen van “jullie” en “wij”. Daarmee hebben kinderen en ouders een nieuwe opgave.
De jongere generatie is zelf hier naar school gegaan en weet dus wat er van hen als opvoeder wordt verwacht. Maar veel van deze gezinnen hebben te maken met segregatie. Kinderen komen in de buurt en op school nauwelijks meer met Nederlandse kinderen in aanraking. Dat vinden ouders meestal helemaal niet leuk. Daarnaast is de islamofobie toegenomen. Tegelijk is er een toename van de orthodoxie onder jongeren. Ook ouders worstelen daarmee. Jongens laten een baard staan, meisjes gaan helemaal bedekt. Ouders kunnen hen vaak niet helpen met het vinden van hun weg als moslim in Nederland.’

Uw leerstoel heet ‘Opvoeden in de multi-etnische stad’. Waarom niet ‘multiculturele stad’? Is die term besmet geraakt?
‘Multicultureel suggereert dat we veel culturen naast elkaar hebben, maar dat is helemaal niet zo. Zelfs de cultuur van opvoeders van de pioniersgeneratie is niet alleen Marokkaans of Turks, maar een mengsel. En ook de omgeving heeft invloed. Zo werkt de aandacht voor voor- en vroegschoolse educatie door op hoe jongere ouders naar hun kinderen en opvoeding kijken. Ondanks bepaalde tradities, zijn er grote veranderingen. De opvoeding van meisjes is bijvoorbeeld al lang niet meer wat die geweest is. Met multi-etnisch doel ik ook op de omstanders die mee opvoeden. De eigen gemeenschap en zelforganisaties spelen ook een rol, zoals moskeeën met activiteiten voor kinderen. Daarnaast heb je Nederlandse instituties, opvoedingsondersteuning, onderwijs: die opvoeden allemaal mee. Ik wil kijken naar de rol en verantwoordelijkheid van al die partijen. Onderwijzers en hulpverleners krijgen nog vaak een witte opleiding. Ze zijn nog altijd slecht toegerust voor het bedienen van de multi-etnische populatie waarmee ze te maken krijgen.’

In opdracht van de gemeente Amsterdam en in samenwerking met drie stadsdelen onderzoekt Pels samen het Verwey-Jonker Instituut en hogeschool INHolland hoe opvoedingsondersteuning beter is af te stemmen op de behoefte van gezinnen. ‘De afstand tussen gezin, school en hulpverlening is heel groot. Ze vormen geen netwerk. En jongeren zitten vaak in een pedagogisch vacuüm. Samen moeten we de afstand overbruggen. We kijken nu nog te vaak weg. Daardoor is het vaak moeilijk om in te grijpen. Preventie is een gezamenlijke taak. Vandaar de verbreding naar opvoeden in de multi-etnische stad.’
U wilt moskeeën en buurtvaders ook betrekken bij de opvoeding. Daar is ook wel kritiek op.
‘Ja. Antropoloog Frank van Gemert had bijvoorbeeld kritiek op de inzet van buurtvaders. Probleem was dat hij alleen keek naar de oudere generatie. Buurtvaderprojecten waar de jongere generatie aan meedoet, waar oudere jeugd en soms ook moeders bij worden betrokken, bekeek hij niet. Die projecten zijn moderner en interactiever. De jeugd van nu laat zich niet zomaar meer autoritair aanspreken door een buurtvader, die wil in gesprek. De organisaties van de oudere generatie kunnen wel intern binden, maar zijn soms niet zo geneigd tot bridging met Nederlandse voorzieningen. Daar moet je op bedacht zijn. Vrouwen en jongeren die wel aansluiting zoeken, moet je ondersteunen.’

Moskeeën ontwikkelen zich soms tot buurthuizen met allerlei cursussen, maar ze kunnen de ontwikkeling van jongeren ook belemmeren.
‘In Rotterdam hebben we de pedagogische stand van zaken in een paar moskeeën al bekeken. Een conclusie was dat we moskeeën zouden moeten ondersteunen om te groeien naar wat pedagogisch gangbaar is in het reguliere onderwijs. Daar zit winst voor beide partijen. De school bereikt ouders vaak niet, de moskee lukt dat wel. En ouders leggen bij de imam ook vragen over de school neer. Voor de kinderen is religie een deel van hun achtergrond. We zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor die kinderen. Als we een deel van hun identiteit ontkennen, leggen we de voedingsbodem voor marginalisering en radicalisering. Als we de moskee niet de hand reiken, zijn we fout bezig.’

U stelt dat het belangrijk is dat jongeren binding hebben met hun buurt. Is dat geen open deur?
‘Gebrek aan binding is gewoon een risico. In ons onderzoek rond jongeren en islam hebben we gekeken naar de beleving van jongeren in een geseculariseerd land met een islamofobe teneur. De binding met allerlei instituties komt niet goed tot stand. Niet met het gezin, niet met school en ook niet met de moskee. Ouders hebben vanuit hun autoritaire opvoedingscultuur vaak problemen met de communicatie met jongeren. Die hebben daar grote behoefte aan en zoeken hun heil dan op internet. Ze willen graag contact met de imam. Daarom is de poldermoskee ook zo belangrijk. Door het preken in het Nederlands, is die moskee laagdrempelig en ook voor meiden toegankelijk.
De belangstelling voor de islam bij jongeren is heel groot. Hoe harder Wilders schreeuwt, hoe meer dat zal groeien. Sinds de aanslagen van 11 september 2001 is het praktiseren van de islam erg toegenomen. Professionals, leerkrachten en vrijwilligers zijn daar vaak verlegen mee. Ze vragen zich af hoe ze moeten omgaan met een veelkleurige bevolking en puberaal gedrag moeten onderscheiden van radicalisering.’

Moeten ouders die niet betrokken zijn bij de opvoeding, sancties krijgen opgelegd?
‘Ik denk niet zo snel in termen van sancties, maar gebruik liever de mogelijkheden die we nog hebben. Als sancties nodig zijn, zitten we al aan de achterkant van het probleem. Dan zijn de zaken al uit de hand gelopen, zoals bij multiprobleemgezinnen. Vaak zijn er allerlei hulpverleners bezig die van elkaar niet weten wat ze doen. Soms is een zekere dwang, drang of bemoeizucht ook gewoon nodig. Maar bijvoorbeeld gezinnen korten die al financiële problemen hebben, lijkt mij niet in het belang van de kinderen.’

En hoe ziet u ouders die de criminele activiteiten van kinderen ontkennen?
‘Dat heeft niet alleen met cultuur te maken, maar ook met een enorme onmacht en afstand tot voorzieningen. Het denken over wel of niet schuldig zijn is bij ouders vaak zwart-wit. Je zult ook langer ontkennen als je het gevoel hebt dat je er wat mee wint. Uit onderzoek blijkt wel dat de pakkans bij Marokkanen groter is. Voor dezelfde vergrijpen worden ze eerder gepakt en zitten ze langer. Er is een enorm gevoel van bedreiging, vrees voor uitwijzing of het weghalen van kinderen.’

Dit artikel staat in het dubbele Zorg + Welzijn zomermagazine nummer 7/8, juli/augustus 2009

Martin Zuithof/Fotografie: Ram van Meel

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden