Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

‘Jeugdwerkers branden af door organisatiedruk’

Abdallah Mouabi (39) is zelfstandig werkzaam als interim jeugdbeschermer en is als docent social work verbonden aan de Hogeschool Utrecht. ‘Media-aandacht, reorganisaties en veranderingen leggen een enorme druk op jeugdbeschermers.’
‘Jeugdwerkers branden af door organisatiedruk’

Door Carolien Stam - ‘Voor de kinderen. Daar doe ik het voor. Kinderen hebben recht op goede zorg en als er problemen in het gezin zijn, kun jij als jeugdbeschermer het verschil maken.
Ik heb met tranen in de ogen gestaan, als ik de verhalen hoorde van een kind dat vertelt hoe het met hem gaat in zo’n problematische gezinssituatie. Toen ik als gezinsvoogd bij de gezinsvoogdij in dienst was, kon ik moeilijk afstand nemen van zo’n situatie. Je wordt meegezogen in de problematiek. Je hebt dan de intervisie met je collega’s nodig, die je inhoudelijk ondersteunen en je helpen de afstand te scheppen die nodig is om juiste beslissingen te nemen.
Nu ik als interim-jeugdbeschermer werk is het veel gemakkelijker de betrokkenheid en de afstand op een goede manier te combineren. Omdat ik me kan richten op de inhoud van het werk. Al die media-aandacht, die reorganisaties en veranderingen in de organisatie leggen zo’n enorme druk op jeugdbeschermers. Ik ben ervan overtuigd dat het een belangrijke oorzaak is waarom professionals in de jeugdzorg afbranden.’

Gebrek aan steun
‘Ik had kort geleden nog zo’n situatie van een collega die ervan overtuigd was dat een kind onveilig was in de thuissituatie. Hij haalt het kind, anderhalf jaar, uit huis. Twee weken later beslist de rechter dat het kind weer terug naar de ouder moet. Die collega ploft radeloos op zijn stoel: “Wat moet ik nou? Ik heb er twee weken lang niet van geslapen, dat kind kan morgen dood zijn.” En wat doet de instelling? Die volgt gewoon de uitspraak van de rechter en gaat daar niet tegen in beroep. Een principiële beslissing van de professional wordt dus niet gesteund. Dat soort zaken, daar brand je op af.’
‘Ik ben zelf op die organisatiedruk afgebrand, dat klopt. Toen ik als raadsonderzoeker werkte bij de Raad voor de Kinderbescherming had ik maximaal drie maanden contact met een gezin. Ik vroeg me af wat er met mijn analyses gebeurde. Dus ik ben bij de gezinsvoogdij gaan werken.’

‘Ik heb er eigenlijk nooit een goed gevoel gehad. Het was alsof je in een zinkend schip terecht was gekomen; steeds bezig het water eruit te hozen en nooit aan varen toekomen. Elke keer kwam er weer een crisissituatie tussendoor of moest de procedure weer allemaal anders. Je kunt onvoldoende tijd aan de kinderen besteden. De oorzaken komen voor een groot deel van buitenaf. Je hebt geen tijd om te discussiëren over waarom en wanneer het gerechtigd is om het kind in veiligheid te moeten brengen.
Nu werken gezinsvoogden met een risicoanalyse. Dat heeft weinig te maken met visie, maar meer met de angst door de buitenwacht te worden afgerekend. Dat laatste mag naar mijn mening geen invloed hebben op deze beslissing.’

‘Ik denk dat professionals zelf op moeten staan en zeggen: dit is hoe wij vinden dat ons werk zo goed mogelijk gedaan kan worden. Iedereen voert die discussie, politici, juristen, samenleving. Dat is logisch, zeker na drama’s als Savanna. Maar de jeugdbeschermers zelf moeten opstaan en hun positie duidelijk maken.
Tja, waarom gebeurt dat niet. Je hebt een platform nodig, zodat je als belangenorganisatie van jeugdbeschermers in een structuur past. Pas dan word je gehoord, kun je iets doen. Die positie hebben gezinsvoogden nog niet. Ze worden niet gehoord, krijgen weinig respect voor het werk dat ze doen. Maar je werkt wel met de moeilijkste doelgroep die er is!
De aandacht voor het kind mag niet afhankelijk zijn van de caseload. Die discussie wordt al tien jaar gevoerd, maar er is nog niets veranderd. Zelfs niet na Savanna. Gezinsvoogden zijn voorzichtiger met wat ze doen, onderbouwen alle besluiten juridisch waterdicht. Maar inhoudelijk lukt het niet om de discussie te voeren over welke kennis en middelen nodig zijn om het kind in bedreigende situaties te helpen.’

‘Ik heb uiteindelijk ontslag genomen bij de gezinsvoogdij. Ik kreeg een conflict over het maximaal aantal cliënten dat we zouden begeleiden. In de organisatie hadden we afgesproken: 17 cliënten per gezinsvoogd. We gingen er voortdurend overheen.
Twee jaar later ben ik voor mezelf begonnen, intussen werk ik ook als interim-jeugdbeschermer. Dat werkt voor mij heel goed; ik voel de druk van de organisatie veel minder dan voorheen. Ik kan inhoudelijk aan de slag gaan met datgene wat ikzelf belangrijk vind, namelijk kinderen en hun gezin bijstaan. Dan leidt in bestaande zaken vaak tot een andere koers. Zo kwam ik bijvoorbeeld in een gezin terecht waar moeder met vier kinderen was ondergedoken omdat vader zo agressief was. Vader probeerde het contact met  zijn kinderen terug te krijgen. Moeder vertelde de meest vreselijke verhalen over wat vader had gedaan, om dit tegen te houden. Het amk had al eerder een melding gekregen. Er was een jeugdwerker op bezoek bij moeder geweest. Een uurtje gepraat en de conclusie was: leuke moeder, leuke kinderen, we sluiten het dossier. Omdat de moeder onderdook is de zaak pas een jaar later bij de Raad voor de Kinderbescherming terecht gekomen. Die heeft meteen ingegrepen een een jeugdbeschermingsmaatregel opgelegd.
Samen met een collega bezocht ik moeder nadat ze uit huis was gevlucht. Ik kreeg toch het gevoel: er klopt iets niet. Ik hield vol dat er omgang geregeld moest worden tussen vader en de kinderen. Moeder hield dat tegen. Twee weken later gaf moeder toe dat ze gelogen had; dat wil zeggen, ze zei dat de kinderen tegen haar leugens hadden verteld over vader. De omgang is uiteindelijk geregeld. Ik vraag me dan toch af waarom er niet een jaar eerder is ingegrepen, toen er al veel zorgen waren bij de instellingen.’

‘Je moet afstand creëren in dit beroep om goede beslissingen te nemen. Als je dit vak ingaat en je geëmotioneerd wordt, maakt dat je wankel. Je verliest het overzicht. Maar je motivatie is juist dat je wilt dat het goed gaat met die kinderen. Daar ben je mee betrokken, daar doe je het voor. Daarvoor heb je een stabiele werkomgeving nodig waar je kunt terugvallen op je collega’s en waar de instelling de randvoorwaarden creëert om je werk naar behoren te kunnen uitvoeren. Jeugdbeschermers hebben een zware taak opgelegd gekregen. Het gaat ten slotte om kinderen in een knellende situaties. Geld- en organisatieperikelen mogen geen belemmeringen zijn.’

Dit artikel staat in Zorg + Welzijn Magazine nummer 7/8, juli/augustus 2008

Bron: Foto: Claudia Kamergorodski

Carolien Stam/Foto: Claudia Kamergorodski

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden