Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

'Ik werk meer in dienst van de gevestigde orde dan van de cliënt’

Tineke van Uden (43) ontwikkelde bij het Maatschappelijk Werk Dommelregio een methodiek voor outreachende hulpverlening. Na meer dan twintig jaar in het jongerenwerk, internaatswerk en hulpverlening zet ze nu een punt achter haar loopbaan. ‘Ik constateer dat ik meer in dienst werk van de gevestigde orde dan van de cliënt.’
'Ik werk meer in dienst van de gevestigde orde dan van de cliënt’

Door Martin Zuithof - ‘Het waren de jaren tachtig, de tijd van de antikernbomacties. Ik vond die sociale bewegingen heel interessant. Ik liep zelf ook met een hanekam, met kistjes en kettingen. Dat is mijn stijl: ik conformeer me niet zo makkelijk. Ik wil altijd tegenwicht bieden en stelling nemen voor mensen die zwakker in hun schoenen staan. Eerst riep ik altijd dat we de kwetsbare burgers moeten bereiken, maar intussen vind ik dat we ze ook moeten beschermen tegen alle normen en regeltjes waar ze aan moeten voldoen.’

‘Een van mijn worstelingen is altijd dat mensen steeds aan standaardnormen moeten voldoen. Mensen zijn verbaasd dat ik gewoon een huurwoning heb en geen dure hypotheek. De meerderheid in mijn vriendenkring heeft een koopwoning, een grote auto, een flatscreentelevisie, maar ik hoef dat allemaal niet. Ik heb ook moeite met dat gepraat over normen en waarden, van mij mogen mensen best afwijken.’

Jongerenadviescentrum‘Ik had een vaag idee om met mensen te werken, maar had nauwelijks een idee over hulpverlening. MBO Sociale Arbeid was een nieuwe opleiding die met name opleidde tot bijvoorbeeld ambtenaar bij de sociale dienst. Maar ik kwam terecht bij een jongerenadviescentrum, iets heel anders. Later ging ik HBO Maatschappelijk Werk studeren en werd ik een onbetaalde beroepskracht bij het JAC. De academie viel mij enorm tegen, op de MBO moesten we veel meer theorieën en methodieken bestuderen. Op het HBO was meer aandacht voor hoe je je voelde, dan voor wat je nodig hebt om een cliënt te begeleiden.’

‘Daarna begon ik als jongerenwerker in een nieuwe jongerencentrum in Helmond, vanuit een banenpool bij het Arbeidsbureau. Na anderhalf jaar ontstonden er problemen met het bestuur. Het centrum ging in no time van tien naar tachtig vrijwilligers, het werd heel groot. Het bestuur had vaak een dubbele agenda. Je mocht jongeren bijvoorbeeld niet stimuleren te drinken, maar de activiteiten waren wel sterk afhankelijk van de baromzet. Ook mocht er binnen niet geblowd worden, maar het bestuur zat zelf vaak te blowen op kantoor. Met twee beroepskrachten lukte het gewoon niet om dat allemaal te runnen. Ook de werktijden, tot drie, vier uur ’s nachts, begonnen me steeds meer op te breken.’

‘Vervolgens kon ik aan de slag bij het cultureel centrum van een jongensinternaat in Deurne. Ik organiseerde en begeleidde allerlei clubs. Ik vind het ontzettend leuk om de baas te spelen en om te organiseren. Tegen de jongeren ben ik heel duidelijk, straight. Ik deed ook nooit alsof ik iets niet zag, wat veel gebeurt in internaten. Als ik het ergens niet mee eens ben, ga ik daarover in gesprek en wil ik weten wat de argumenten zijn. Als je mij geen argumenten kunt geven, ga ik ruzie maken.’

Straathoekwerk
‘Na anderhalf jaar zochten ze bij Bijzonder Jeugdwerk Brabant iemand die op straat kon werken. Straathoekwerk was een heel pittige baan, deels op straat en deels in een jongerencentrum. Daar kwam ik de dezelfde jongeren tegen die ik vroeger in Helmond uit het jongerencentrum gooide vanwege coke snuiven. Ik moest een onderzoek doen naar de overlast van jongeren, maar zoveel overlast was er helemaal niet. Als jongeren buiten hangen is dat helemaal niet meteen overlast.’

‘De jongerencultuur is heel snel, de muziek, de kleding, jongeren zijn lekker direct. Dat vind ik leuk om mee te werken. Jongeren zullen altijd experimenteren met alcohol, met drugs, met seksualiteit, met regels. Het gaat er om of ze voldoende informatie hebben en weten waar ze terecht kunnen als het misgaat. Maar met een klein deel gaat het niet goed, vaak de jongeren waarmee al van alles mis was. Ik vond het triest dat ik heel veel jongeren tegenkwam die ik nog kende van het internaat. Daar hadden ze niet geleerd hoe ze hun vrije tijd in moesten vullen. Ze leren daar van alles over gedrag, maar veel te weinig over zelfstandigheid, hoe je zelf je dingen regelt.’
‘Na twee jaar in een baan liep ik vaak tegen allerlei twijfels op, werd ik bang voor ruzie of bang om vast te lopen. Vaak bleek de organisatie dingen van mij te verlangen, die ik helemaal niet wil. Ik constateerde steeds weer dat ik als hulpverlener meer in dienst werk van de gevestigde orde, en alle regels die daarvoor bedacht worden, dan in dienst van de cliënt.’

Crisisopvang
‘Na het straathoekwerk kwam ik terecht bij de crisisopvang van het Bijzonder Jeugdwerk. Al die jongeren waren geplaatst door Justitie, er was veel meer problematiek, meer agressie, psychiatrische problemen. Maar een crisisopvang hoort helemaal niet in een behandelcentrum. Jongeren met psychiatrische problemen of jongeren die moeilijk plaatsbaar waren, kwamen er terecht. Voor hen was dat ontzettend triest, want wij hadden vaak de specifieke deskundigheid niet in huis. Daar zag ik dat beheersen vaak makkelijker is dan begeleiden of behandelen. Dan leg je regels op, maar mensen zitten daar toch om opgevangen te worden, toch niet om regels te leren?’

‘Voor wie maken we al die regels eigenlijk? Een voorbeeld is een gezin dat wij bij het maatschappelijk werk begeleiden. Een man en een vrouw met een kindje van vier. Die vrouw kon niet alleen zijn met dat kind, want ze had allerlei fobieën. Die man wilde graag thuis zijn als het kind naar het dagverblijf ging en weer thuiskwam, maar hij wilde wel zes dagen werken. Maar volgens Sociale Zaken was die man niet gemotiveerd, want hij moest beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt tussen negen en vijf. Van die regeltjes word ik hels.’

‘Professionals doen er gewoon aan mee. Ik denk: sta eens op, ageer eens wat meer tegen die wet- en regelgeving, durf voor je vak te staan. Neem het eens wat vaker op voor die cliënt, in plaats altijd te benadrukken wat de cliënt niet goed doet. Het maatschappelijk werk laat zich veel te veel leiden door de Wmo. Die wet wordt altijd als excuus gebruikt, maar je hoeft niet altijd overal in mee te gaan. Neem bijvoorbeeld het gezin dat al vijftien jaar prima woont in een klein vakantiehuisje. Een gemeenteambtenaar bedenkt nu dat ze eruit moeten, omdat hij vindt dat ze zo niet kunnen wonen. Collega’s die dat gezin begeleiden, zeggen ook dat ze er eigenlijk heel gelukkig zijn.’

‘Ik heb van mezelf nooit het gevoel gehad dat ik mensen wilde redden. Ik zeg eerder: laten we er potverdomme eens iets aan doen. Ik ga de dingen niet voor cliënten regelen, dat moeten ze zelf leren. De gelatenheid van mensen snap ik ook niet, dat ze zo afhankelijk zijn van hulpverleners. Word nou eens boos!’

Maatschappelijk werk
‘Bij Maatschappelijk Werk Dommelregio heb ik mijn stempel gedrukt op het project Outreachende hulpverlening. Dat werkte en ik kreeg de ruimte om als deskundige te vertellen hoe het hoort. Maar al het vergaderen en beleidsoverleg kon ik op een bepaald moment niet meer opbrengen. Doe nou eens iets concreets, dacht ik steeds. Met dezelfde mensen, verslaafden, psychiatrische patiënten en mensen met een beperking doe ik in mijn vrije tijd leuke dingen rondom kunstprojecten. Daar is helemaal geen beleidsoverleg voor nodig.’

‘Maatschappelijk werkers mogen best vaker nee zeggen. Soms moet je je cliënt steunen tegenover de woningstichting, in plaats van andersom. Woningstichtingen leggen huurders steeds vaker een contract op voor woonbegeleiding, die ze in de praktijk helemaal niet geven. Het maatschappelijk werk moet dan roepen dat dat zo niet kan. Het probleem zit ’m vaak niet in het afstappen op mensen, maar in het binden van mensen aan de hulpverlening. Daar faalt het werk heel erg in.’

‘Alles staat of valt met je attitude. Ga je mensen vertellen dat het anders moet of vraag je of je iets voor ze kunt bete-kenen? Outreachende hulpverlening, erop afstappen is hartstikke mooi, maar doe je dat omdat je de cliënt iets te bieden hebt? Of doe je dat omdat je wordt ingekocht door de gemeente? Als mensen bang worden voor maatschappelijk werk, of als ze een contract moeten tekenen, dan is het beroep verloren. Je moet niet gaan beheersen, maar kijken of je iets voor mensen kunt doen.’

‘Ik heb nu een WW-uitkering en vind het interessant om eens aan die kant van de streep te staan. Als je ziet hoe ze mensen behandelen, dan blijkt dat ze het helemaal niet interesseert. Ik kom nu als werkloze bij het CWI, maar die consulenten komen nooit op tijd. Terwijl je ziet dat ze zitten te flauwekullen met hun collega’s. Ik zie nu precies wat er met de cliënten gebeurt, nu ben ik ook een nummer.’

Dit artikel staat in Zorg + Welzijn Magazinenummer 11, november 2008


Bron: Foto: Claudia Kamergorodski

Martin Zuithof/Foto: Claudia Kamergorodski

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden