Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Slechte reputatie residentiële jeugdzorg niet terecht

De residentiële jeugdzorg doet het helemaal niet zo slecht. Uit een studie van hoogleraar Erik Knorth en promovendus Annemiek Harder blijkt dat vooral jongeren met ernstige problemen meer hebben aan residentiële zorg dan aan ambulante jeugdzorg.
Slechte reputatie residentiële jeugdzorg niet terecht

Door Carolien Stam - Vooral bij jongeren met externaliserende problemen – zoals agressie – blijkt een verbetering op te treden tijdens opname in de residentiële jeugdzorg. Ook jongeren met angst- en depressieproblemen (internaliserend) komen er gemiddeld beter uit. Terwijl de residentiële jeugdzorg een slechte reputatie heeft als het gaat om hulpverlening. ‘Dat is echter niet gebaseerd op empirische feiten,’ zegt onderzoekster Annemiek Harder van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). 

Samen met professor Erik Knorth, hoogleraar orthopedagogiek aan de RUG, heeft Harder een zogenoemde meta-analyse gemaakt van binnen- en buitenlandse studies naar de resultaten van residentiële jeugdzorg. Overigens moesten de oorspronkelijk 110 beoogde studies worden gereduceerd tot 27, omdat de gegevens van de studies niet voldoende waren om de effecten van de residentiële jeugdzorg te meten.
 
Slecht imago
De residentiële jeugdzorg heeft een slecht imago. Kinderen zouden er slechter uit komen dan dat ze erin gaan. Die slechte reputatie heeft volgens Annemiek Harder te maken met de hoge recidivecijfers van justitiële jeugdinrichtingen – ook residentiële jeugdzorg. Bovendien worden de hogere kosten vaak genoemd als nadeel van residentiële zorg.
‘Dat is zeer de vraag,’ volgens onderzoekster Harder. ‘Op de lange termijn is het voor jongeren wellicht beter. Vooral jongeren met ernstige agressieproblematiek blijken goed geholpen te zijn met residentiële jeugdzorg. Dat zijn meestal jongeren die in de ambulante hulpverlening stuk zijn gelopen. Residentiële zorg is voor een aantal jongeren dus meer geschikt dan ambulante zorg. En dus ook goedkoper als ze direct beter geholpen worden.’

Kwetsbare positie
Jo Deleersnijder, algemeen directeur van Lindenhout, organisatie voor (residentiële) jeugdzorg in Gelderland en Overijssel, vindt niet dat de residentiële jeugdzorg gebukt gaat onder een slecht imago. ‘Eigenlijk overheerst het gevoel in de samenleving dat het goed is dat deze jongeren met ernstige problemen in tehuizen worden opgevangen.’

Wel constateert ze dat deze vorm van jeugdzorg een kwetsbare positie heeft. ‘Omdat het gaat om de veiligheid van cliënten. Ook omdat de afgelopen jaren de nadruk vooral heeft gelegen op de ambulante jeugdzorg. Daarin is meer geld geïnvesteerd, wat ook effect heeft op het gemis aan investeringen in bijvoorbeeld de professionaliteit van de werkers in de residentiële jeugdzorg.’

Deleersnijder vindt het overigens terecht dat de ambulante jeugdzorg veel aandacht en geld heeft gekregen. ‘Het is goed dat de zorg zoveel mogelijk is gericht op het gezin. Ook onze kernwaarde is: kinderen horen thuis. Het ouderschap is levenslang, het opvoederschap moet soms overgegeven worden.’
 
Resultaten
Uit het onderzoek van Harder en Knorth blijkt dat de residentiële jeugdzorg goede resultaten boekt. De onderzoekers hebben hun onderzoek gericht op de groep kinderen met internaliserende en externaliserende problemen. ‘Bij een deel van de jongeren nemen de probleemgevoelens af. En wat belangrijk is: wij hebben niet gezien dat jongeren achteruit gaan.’

Voor de aanname dat jongeren in tehuizen een slechte invloed op elkaar zouden hebben, blijkt evenmin wetenschappelijk bewijs te zijn. Niettemin kan de hulpverlening in de residentiële jeugdzorg verbeteren, volgens Knorth en Harder: ‘Daar is nog veel potentieel voor in de residentiële zorg. Bijvoorbeeld door de leefgroepen – nu nog zo’n tien tot twaalf jongeren – kleiner te maken, zodat begeleiders meer individuele aandacht kunnen geven.’

Ook het werken met gezinsgerichte interventies in de residentiële jeugdzorg zou uitgebreid kunnen worden. Evenals de zorg na vertrek uit de instelling. Dat kan op de lange termijn de resultaten verbeteren, aldus onderzoekster Annemiek Harder.

Jo Deleersnijder bevestigt die conclusie. Kleinere groepen – nu zijn er groepen met tien jongeren – meer gezinsgerichte interventies en vooral ook de erkenning dat veel jeugdproblemen van chronische aard zijn, zou het effect van de jeugdzorg verbeteren. ‘De huidige financiering is niet geënt op kleinere groepen. Er zou meer geld moeten komen voor meer medewerkers en meer huisvesting van de groepen als je ze kleiner wilt maken.’

Succesfactoren
De directeur van Lindenhout pleit wel voor meer onderzoek naar de succesfactoren en de kwaliteit van de residentiële jeugdzorg. ‘Als je aan jongeren vraagt wat een succesfactor van de kwaliteit van zorg is, staat de bejegening op nummer één. De kwaliteit van de zorg verbeteren zit dus vooral ook daarin. Naast het investeren in kleinere groepen, gezinsgerichte interventie en niet te vergeten: nazorgtrajecten die gericht zijn op een zelfstandige toekomst.’

Deleersnijder zou graag zien dat begeleide woonvormen – bijvoorbeeld de RIBW’s (Regionale Instelling voor Beschermd Wonen) – voor jongeren uitgebreid worden. ‘Daarin kun je jongeren begeleiden naar een zelfstandig leven. Het bevordert bovendien de uitstroom van jongeren uit de residentiële zorg, zodat er aan de voorkant ruimte komt voor instroom van kinderen en jongeren die op de wachtlijsten staan.’

Carolien Stam

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden