Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Wim Slot, hoogleraar kinderbescherming, over ondertoezichtstellingen: ‘Rechter biedt te weinig handvatten voor hulp’

Kinderrechters vertellen ouders niet duidelijk waarom ze onder toezicht worden gesteld. Zo weten ouders niet hoe ze van de ondertoezichtstelling (ots) af moeten komen. De herziening van de ots-maatregel tien jaar geleden heeft geen verbeteringen gebracht. Wim Slot, hoogleraar kinderbescherming: ‘In de praktijk hebben ouders niet meer rechten gekregen.’ Het Deltaplan gezinsvoogdij biedt echter perspectieven.

Tot tien jaar geleden namen kinderrechters de beslissing of een kind onder toezicht gesteld moest worden, en waren tegelijk verantwoordelijk voor de uitvoering ervan. In 1995 werd de ots-maatregel drastisch herzien. Sindsdien beslist de rechter over een ots, terwijl de verantwoordelijkheid voor de uitvoering ligt bij de gezinsvoogdij-instellingen (sinds de invoering van de Wet op de Jeugdzorg onderdeel van de Bureaus Jeugdzorg). Daarmee, zo was de intentie, zou de rechtspositie van ouders, minderjarige en pleegouders worden versterkt.

Dat de rechterlijke en uitvoerende macht gescheiden moest worden, is volgens Wim Slot, bijzonder hoogleraar jeugdbescherming aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en directeur van PI Research (het Paedologisch Instituut, eveneens in Amsterdam), vanzelfsprekend. Maar de rechtspositie van ouders is er niet sterker mee geworden. ‘Wanneer een ots vroeger leidde tot een uithuisplaatsing kregen ze twee weken later te horen waar hij het kind ging plaatsen. Nu spreekt de rechter, na een verzoek daartoe door de Raad van de Kinderbescherming, tijdens een rechtzitting een ots uit. Hij benoemt een gezinsvoogdij-instelling, in casu het Bureau Jeugdzorg, die een gezinsvoogd belast met het gezag over het gezin. Als de gezinsvoogd vindt dat het kind uit huis geplaatst moet worden, vraagt hij daarvoor bij de rechter een machtiging aan. Gaat de rechter daarmee akkoord dan bepaalt het Bureau Jeugdzorg waar het kind wordt geplaatst.’

Theoretisch kunnen ouders tegen het besluit van het Bureau Jeugdzorg bij de rechter in beroep gaan, ‘Maar in de praktijk maken ze er weinig gebruik van,’ stelt Slot. ‘Ouders zijn onvoldoende op de hoogte van die mogelijkheid. Gezinsvoogden moeten ouders tijdens hun eerste bezoek wel wijzen op dat recht, maar ouders zitten vaak met zoveel vragen dat hen dat ontgaat. De rechter geeft in zijn uitspraak ook niet duidelijk de redenen aan voor een ots. De gronden die hij in de beschikking noemt zijn ontzettend vaag. De rechter heeft het over “overwegende de rapportage van de Raad, gehoord hebbende de ouders, besluit ik” enzovoorts. De rechter noemt geen concrete redenen als het alcoholisme van de vader of de drugsverslaving van de moeder.

Het gevolg is dat ouders niet precies weten wat ze moeten doen om van die ots af te komen. Bovendien zijn de rechtzittingen waarin de rechter een machtiging moet geven voor uithuisplaatsing geen complete rechtzittingen waarvoor ouders worden opgeroepen. Bij uithuisplaatsingen geven rechters ook vaak machtigingen af voor een aantal opeenvolgende uithuisplaatsingen. Zo van: als het hier niet lukt, of als de behandeling daar is afgelopen, dan moet het kind daar naar toe. Ouders weten zo niet waar ze aan toe zijn. De rechter moet veel explicieter aangeven wat de redenen zijn voor de ots. Dan hebben gezinsvoogden ook veel meer aanknopingspunten om met het gezin aan de slag te gaan. Nu doen gezinsvoogden vaak nog zelf een onderzoek om op de hoogte te komen van wat er loos is in het gezin.’

Uit uw eigen evaluatieonderzoek uit 2002 bleek de ots-maatregel ook niet zo succesvol voor de kinderen. Bij eenderde was de situatie na twee jaar verslechterd, slechts van 28 procent was die verbeterd. Verbaasde u dat?
Ja. Maar vergeet niet dat een kinderbeschermingsmaatregel pas wordt uitgesproken als alle andere middelen gefaald hebben of zeer waarschijnlijk zullen falen. Gezinsvoogden werken met een uitermate moeilijke groep. Een andere conclusie uit dat onderzoek was minstens zo belangrijk. Gezinsvoogden stelden veel te vage doelen. Doelen als “het zelfvertrouwen van het kind vergroten”, of “de relatie met de moeder verbeteren” geven in de praktijk geen handvatten om te kijken of er iets verbeterd is.’
Gezinsvoogden waren zelf ook zeer ontevreden over de ots-maatregel.

Waarom?
Enerzijds klaagden ze over de toenemende bureaucratie. Dat is volgens mij niet het gevolg van de herziening van de ots-maatregel. Overal neemt de bureaucratisering toe, oplossingen daarvoor liggen in een betere bedrijfsvoering. Maar daardoor hadden ze steeds minder tijd voor hun cliënten. Anderzijds vonden ze het moeilijk om hun gezag te bepalen. Ondertoezichtstelling impliceert dat de overheid ingrijpt in het gezinsleven. Toen deze wet in het begin van de vorige eeuw werd ingevoerd, vond men die autoriteit van de overheid vanzelfsprekend. Maar inmiddels hebben burgers meer rechten, ouders zijn mondiger. Er zijn nieuwe concepten nodig om als buitenstaander gezag uit te kunnen oefenen in een gezin. Vedivo, de toenmalige koepel van de gezinsvoogdij, heeft destijds het rapport ‘Leiding geven aan verandering’ uitgebracht. Dat beschrijft hoe de werkwijze van gezinsvoogden verbeterd kan worden. Daarvoor zou ook de caseload verlaagd moeten worden 25 naar vijftien gezinnen per gezinsvoogd. Toen de toenmalige minister van Justitie, Korthals Altes, dit rapport kreeg aangeboden, was zijn reactie: “maar als dat allemaal moet gebeuren, is er sprake van een Deltaplan.”

En daarmee werd het project Deltaplan voor de gezinsvoogdij geboren?
Ja. Naast terugdringen van bureaucratie en verlaging van de caseload was het de bedoeling gezinsvoogden nieuwe manieren aan te reiken voor het verwerven van gezag. De focus daarbij ligt op goed en op tijd communiceren met de ouders, concreter met hen werken, duidelijke doelen stellen en helder zijn over zaken waar niet over te discussiëren valt. Als bijvoorbeeld een moeder het kind thuis houdt, zijn gezinsvoogden nogal eens geneigd die moeder proberen te laten inzien dat dat niet zo verstandig is. Terwijl het kind volgens de wet naar school moet. Dat staat dus niet ter discussie. De gezinsvoogd moet dan wel nagaan waarom het voor die moeder zo moeilijk is het kind naar school te sturen en aanbieden haar daarbij te helpen. De gezinsvoogd moet ook in de communicatie met de ouder het belang van het kind centraal stellen. Als een klein kind pas om elf uur naar bed gaat, moet hij niet direct zeggen dat de moeder het fout doet. Dan zet die moeder zich direct schrap. Maar de voogd moet erop wijzen dat een kind veel slaap nodig heeft. Als die moeder dan zegt: probeert u maar om dat kind naar bed te krijgen, dan hebben ze een gemeenschappelijk punt. Dan kan de gezinsvoogd aanbieden de moeder daarbij te helpen.’

Het Deltaplan is tussen 2002 en 2005 in vier regio’s beproefd. PI Research heeft het geëvalueerd. Is het plan succesvol?
‘De bedrijfsvoering is niet verbeterd. De caseload is wel omlaag gegaan waardoor de gezinsvoogden in plaats van zeventien procent de helft van hun werktijd konden besteden aan gezinnen. In vergelijking met het onderzoek uit 2002 zijn er meer kinderen beter geworden van de ots-maatregel. De problemen in gezinnen namen meer af. Ouders waren vaker tevreden over hun gezinsvoogd. Doelen worden concreter gesteld. Of de duur van de ots is verkort en of het aantal uithuisplaatsingen is verminderd, gaan we nog onderzoeken. Justitie heeft daar inmiddels opdracht toe gegeven. Maar gezinsvoogden hebben de indruk van wel.’

Is dat trouwens een verbetering? De tendens is juist om kinderen eerder uit huis te plaatsen.
‘Het gaat niet om eerder of later. Het gaat erom dat de besluitvorming bij uithuisplaatsing beter wordt. Daarvoor moet de informatiestroom tussen instellingen veel beter. En er is meer deskundigheid nodig om de informatie op een goede manier te wegen. Als een rechter bijvoorbeeld besluit om niet in te grijpen, zou je het daar niet bij moeten laten. Je zou op gezette tijden terug moeten gaan naar het gezin om te toetsen of de uitspraak van de rechter nog steeds een goede is. Zo’n regelmatige toetsing van risicokinderen zou ook een taak kunnen zijn van de school en de jeugdgezondheidszorg.’

Het Deltaplan wordt nu in alle regio’s ingevoerd. Zullen daarmee de grootste knelpunten zijn opgelost?
Nee, want een belangrijk probleem is helemaal niet opgelost. Dat zijn de wachtlijsten. Vooral voor deze doelgroep zijn die funest. Dan heb je eindelijk een gezin zo ver dat het wil meewerken, en dan moet het een jaar wachten. Maar om de capaciteitsproblemen op te lossen, is een volgend Deltaplan nodig.’

Maria van Rooijen

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden