Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Jeugdzorg Gouda: Tien jaar ketenzorg

In Gouda hebben ze het uitgevonden: naadloze aansluiting van hulp aan kinderen. Tien jaar geleden opende met dat doel het eerste Bureau Jeugdzorg. Lange tijd werd gediscussieerd over wel of geen scheiding van indicatie en hulpverlening. Het pleit is beslecht in de Wet op de Jeugdzorg: wél scheiding.

‘De meeste aanbieders van zorg aan kinderen en jongeren zijn niet gericht op ketenzorg, maar meer op hun eigen domein. Daarmee blijft men ronddraaien om de vraag wie voor wat nu eigenlijk verantwoordelijk is.’ Dat vindt Fred Hoogenboom, evenals tien jaar geleden hoofd van Riagg Jeugdzorg Midden Holland.

In die hoedanigheid was hij mede-initiatiefnemer van het eerste Bureau Jeugdzorg in Nederland: BJZ Gouda. Samenwerking en samenhang; hulp die naadloos op elkaar aansluit. Dat waren de doelstellingen van het regionaal samenwerkingsverband jeugdhulpverlening dat eind jaren tachtig al met elkaar om tafel zat om een beleidsplan in elkaar te zetten. De discussie duurde even, maar in 1995 gingen vier instellingen voor jeugdzorg - Regionaal Centrum Dagvoorziening, Bijzondere Jeugd, Stichting Jeugdhulpverlening en Riagg-jeugd - samenwerken in het eerste Bureau Jeugdzorg. De leidende discussie vanaf dat moment werd wel of geen scheiding van indicatie en hulpverlening. Terwijl tot op de dag van vandaag in den lande dicussies worden gevoerd over de regie, de organisatie en de functie van het Bureau Jeugdzorg, koos Gouda voor het geïntegreerde model: indicatie én hulpverlening door de hulpverlener.

‘Ketenzorg kun je alleen bereiken als de instellingen zich richten op de zorg in plaats van op hun eigen werkgebied,’ vindt Hoogenboom. ‘Als je de indicatie los maakt van de hulpverlening, trek je drempels op, wordt het eigen domein belangrijk en is de kans groot dat de een niet weet wat de ander doet bij dezelfde cliënt. Als een gezinsvoogd bij ons denkt "een psychiater moet eens naar deze jongen kijken" loopt hij een deur verder, stappen ze samen in de auto en gaan ze naar die jongen toe. Dat is veel efficiënter en minder tijdverspillend dan dat die gezinsvoogd zijn verhaal eerst op papier zet, het voor een indicatiecommissie brengt, die vervolgens weer een aanvraag doet bij een jeugdpsychiater.’

Domein afschermen In de Wet op de Jeugdzorg, die nu eindelijk per 1 januari is ingegaan, is voor iets anders gekozen dan in het model-Gouda. Indicatie en zorgverlening zijn strikt gescheiden. Het Bureau Jeugdzorg is de toegangspoort, daar wordt de zorg voor het kind geïndiceerd. Vervolgens verwijst bjz naar de geëigende hulpverleningsinstantie. Zo zou de zorg onafhankelijk, beter en efficiënter worden toegewezen. Achter de toegangspoort zullen de hulpverleningsinstanties dan in goede harmonie samenwerken aan een samenhangend hulpaanbod. Hoogenboom betwijfelt dat: ‘Instanties gaan zich indekken tegen risico’s en dat betekent afscherming van het eigen domein. Je ziet al dat BJZ bezig is zelf alle disciplines in huis te halen om een eigen diagnostiekteam te vormen, waar voorheen BJZ juist trachtte samen te werken met ggz en andere instanties.’

Hoogenboom gelooft niet dat de huidige constructie van de jeugdzorg onder de nieuwe wet de samenwerkingsproblemen in de sector zal oplossen. ‘De afzonderlijke domeinen bestaan nog, de ontwikkeling van de samenwerking tussen instanties is in den lande zeer verschillend verlopen. Er zijn regio’s waar men samenwerkt, of tot op zekere hoogte, maar er zijn ook nog regio’s waar dat helemaal niet gebeurt. De integrale ketenzorg, zoals wij die hier hebben ontwikkeld, is alleen in Delft overgenomen.’ Volgens Hoogenboom is samenwerking tussen instanties vooral nog afhankelijk van individuele mensen. ‘Het is toeval als hulpverleners elkaar weten te vinden.’

De aansluiting tussen de zogenoemde ‘vindplaatsen’ van probleemkinderen, bijvoorbeeld scholen, jongerenwerk, met de hulpverlening is moeizaam, vindt Hoogenboom. ‘Als er actie ondernomen moet worden, moet men eerst een traject van aanmelding, indicatie en hulpverlening door. Het zou beter zijn medewerkers op scholen direct toegang te geven tot de zorg.’ Hoogendoorn ziet duidelijk de noodzaak van ketenzorg. Samen onder een dak in één Bureau Jeugdzorg is daarvoor een goede voorwaarde, is zijn ervaring na tien jaar. Dat kost in het begin moeite, erkent hij, want een botsing van culturen is niet te vermijden. ‘Toen wij begonnen vonden de jeugdhulpverleners de Riagg-medewerkers arrogant en betweterig. De Riagg-mensen vonden weer dat de jhv’ers niet serieus met hun vak bezig waren. Door in moeilijke omstandigheden samen te werken aan problemen, kreeg men meer begrip voor elkaar. Nu zijn we in één team met elkaar aan de slag.’

Carolien Stam

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden