Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

‘Jeugdprostitutie is nog steeds onbespreekbaar’

De Rotterdamse wethouder voor Veiligheid en Volksgezondheid komt binnenkort met een plan van aanpak van jongerenprostitutie in de stad. Hulpverlening, justitie en gemeente kunnen samen veel meer doen, vindt Anja Spaninks, van het Prostitutie Maatschappelijk Werk (Humanitas Rotterdam). ‘Over prostitutie praten hulpverleners vaak al moeilijk, laat staan over seksualiteit.’

Begin augustus veroordeelde de rechtbank in Rotterdam drie loverboys tot straffen van 15 tot 21 maanden. De rechter achtte bewezen dat de drie mannen twee meisjes tot prostitutie hadden gedwongen. Volgens Anja Spaninks van het Prostitutie Maatschappelijk Werk laat het geval zien hoe moeilijk de loverboys te pakken zijn.

‘Wat deze groep ten laste is gelegd, is wat justitie kon bewijzen. Maar er waren nog veel meer vermoedens en ze hadden ook veel meer meisjes. Alleen die durfden geen aangifte doen, die durfden niets te zeggen. Zonder aangifte kun je nu nog niks doen. Dat is het fnuikende, want er waren negen meisjes in totaal.’ ‘En,’ voegt ze eraan toe, ‘een loverboy lacht je vierkant uit als hij een jaar de bak in moet. De gevangenis vinden ze heel relaxt en ze kunnen vaak gewoon doorgaan met criminele activiteiten.’

Omdat justitie gedwongen prostitutie als een zogeheten ‘klachtdelict’ ziet, is er aangifte nodig om de criminelen te kunnen vervolgen. En dat durven heel veel slachtoffers nou juist niet. Justitie heeft daardoor te weinig armslag om de loverboys hard aan te pakken. ‘De officier van justitie ziet jongerenprostitutie vaak als verkrachting, in plaats van als mensenhandel,’ legt Spaninks uit. ‘Geweld binnen een relatie is moeilijk aantoonbaar. Dan zeggen de advocaten vaak met succes: dat meisje had toch weg kunnen lopen? Of: u bent toch in contact geweest met de politie, waarom heeft u dat toen niet aangegeven? Maar een meisje is meestal niet in staat los te komen van een jongen. Dat wordt dan tegen haar gebruikt.’

Spaninks is beleidsmedewerker bij het Prostitutie Maatschappelijk Werk van Humanitas in Rotterdam en deed veldonderzoek rond seksbedrijven en rond tippelzones. ‘Na vijf jaar veldwerk kreeg ik last van metaalmoeheid. Er zijn onder seksbedrijven wel een paar goede, maar er zijn er weinig waar ik vrouwen kan aanraden om te werken. Op een bepaald moment zie je niet meer wat normaal is en raak je afgestompt. Je moet je emancipatie opzij zetten, doen alsof er niks aan de hand is met de porno die ze draaien en hoe ze met vrouwen omgaan. Maar het is niet normaal, het is ziekmakend.’

In Rotterdam signaleerden instanties in 2002 72 minderjarige prostituees, naast 26 jongeren van wie het vermoeden bestond dat ze als minderjarige begonnen waren. Een kwart van de cliënten van het PMW zegt als minderjarige te zijn begonnen. Het seksuologisch instituut NISSO schatte het aantal minderjarige prostituees in 1998 op 1500. Voor jongensprostitutie maakte het instituut Fora in 2001 een vergelijkbare schatting. Om het probleem van jongerenprostitutie beter aan te pakken, besloot minister Donner onlangs tot de oprichting van een landelijk expertisecentrum Jeugdprostitutie.

Maar er is nog veel meer nodig, vindt Spaninks. ‘Betere signalering, bewustwording van hulpverleners en het durven praten over seksualiteit. Verder is de strafrechtelijke bescherming van slachtoffers minimaal en de verdachten komen er heel makkelijk vanaf.’ Ook ontbreekt het bij de hulpverlening en politie nog aan een centrale registratie. ‘Hulpverleners registreren jeugdprostitutie niet, omdat de bewustwording niet zo groot is. Ze denken vaak dat het wilde verhalen zijn. Meisjes doen vaak geen aangifte, waardoor het niet boven tafel komt. Het grote probleem is dat de loverboys die meisjes met van alles en nog wat chanteren worden. Meisjes zien niet dat wat de jongen doet strafbaar is, zij denkt dat ze net zo lang door moet gaan tot ze zelf van hem afkomt. Juist dat houdt ze heel lang in de greep van die jongen.´

Femke Halsema (GroenLinks) stelde een aantal jaren geleden dat jongeren vanaf 16 jaar vrij zijn om voor prostitutie te kiezen. Zij ziet zestienjarigen als volwassene.
‘De strafbaarstelling ligt nu bij de 18. Pas daarboven heet het mensenhandel. Ik denk niet dat je als jongere voor dit vak kiest. Je kunt je seksuele ontwikkeling, je vriendjes, heel moeilijk scheiden van je werk als prostituee. Een jongere is gewoon bezig met de eigen ontwikkeling, ook op seksueel vlak, zodat je dat niet als “zomaar werk” kunt zien. Achter de kassa zitten, is toch heel wat anders dan prostituee zijn. Behoorlijk naïef van Halsema.’

Veel mensen denken dat prostitutie een eigen keuze is.
‘De meesten raken er door omstandigheden in verzeild. Sommigen doen het voor zakgeld. Surinaamse en Antilliaanse meisjes zijn vaak heel materieel ingesteld en die willen er even gewin mee halen. Echt kiezen voor prostitutie gebeurt heel zelden. Dan kom je in een wereld terecht waarin mensen je zogenaamd beschermen, maar ook geld van je inpikken. De meerderheid van de meisjes heeft een verstoorde familierelatie, is weggelopen en loopt een verkeerde jongen tegen het lijf.’

Hoe kan het dat er zo weinig bekend is over jongensprostitutie?
‘Jongens zijn minder zichtbaar. Van de 73 legale seksbedrijven in Rotterdam, is er maar van één bedrijf bekend dat het met jongens werkt. Maar ik kan me niet voorstellen dat het er maar één is. Jongensprostitutie blijft dus veel meer verborgen. Als jongens hier binnenkomen en hun verhaal doen - over verwaarlozing, weglopen, overleven - lijkt dat op het verhaal van meisjes, maar je kunt het niet op één lijn stellen. Bij meisjes is de prostitutie beter georganiseerd, ook gewelddadiger. Jongens komen wel vaak in de prostitutie door chantage, maar worden minder het slachtoffer van fysiek geweld.

‘Jongens bieden zich vaak jonger aan, doen jonger seksuele ervaringen op, zwerven meer op straat. Vaak zijn het Marokkaanse jongens. Jongens die op straat werkten, zoals vroeger bij het Centraal Station, zijn vaak nog jonger: 14, 15, 16. Die opereren tegenwoordig via mobieltjes, sms en internet. Die zie je bijna niet meer op straat, maar gebruiken chatsites en homosites.’

Jongens hebben minder contact met de hulpverlening?
‘Bij jongens vragen hulpverleners nog minder dan bij vrouwen en meisjes of er sprake is van seks voor geld. In de verslavingszorg krijgen ze nog steeds ‘safeseks heterocondooms’, maar er wordt niet ingegaan op man-mancontacten. Heel veel hulpverleners vinden seksualiteit bij jongeren bespreken heel moeilijk, laat staan in de taal die aansluit bij die jongeren. Zij zijn daarin vaak nog onhandig en dat weten ze zelf. Het is anders als je zegt: “ik maak me zorgen om je” of dat je een negatieve boodschap uitzendt zoals “volgens mij zit je in de prostitutie, het loopt slecht met je af”. Dan trekt zo’n meisje of jongen zich meteen weer terug.’

Is het niet onbegrijpelijk dat juist de hulpverlening het moeilijk vindt om over seksualiteit te praten?
‘Hulpverleners kunnen zich vaak maar moeilijk voorstellen hoe het er in de prostitutie aan toe gaat. Over prostitutie praten vinden hulpverleners vaak al moeilijk, laat staan over seksualiteit. Dat komt doordat de eigen seksualiteit gevoelig ligt en het heeft ook te maken met de beeldvorming rond prostitutie. Het is nog steeds onbespreekbaar dat vrouwen dit met zich hebben laten doen.’

Terwijl een stad als Zwolle al een paar jaar ervaring heeft met een integrale aanpak van loverboys, hebben grote steden als Amsterdam en Rotterdam nog geen beleid. In een advies aan de Rotterdamse wethouder Van den Anker (Veiligheid en Volksgezondheid) pleit het Prostitutie Maatschappelijk Werk voor een integrale aanpak met vroegtijdige signalering, betere preventie, lotgenotencontact, meer seksespecifieke opvanghuizen, actievere opsporing en vervolging, en registratie. Spaninks vindt dat de gemeente het voortouw moet nemen.

‘We willen dat Rotterdam het verschijnsel jongerenprostitutie erkent en gaat bestrijden. Het college moet commerciële seksuele uitbuiting niet accepteren. De onzichtbaarheid van jongerenprostitutie moet opgeheven worden door het aan te pakken. En dat doe je door met elkaar samen te werken. Als je een integrale aanpak wilt, zijn er altijd mensen die er aan meewerken en anderen die geen zin hebben. Samenwerking met een groot instituut als bureau Jeugdzorg ontstaat niet zomaar. Die moeten daarvoor een opdracht krijgen, anders doen ze het niet.’

Martin Zuithof

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden