Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Hulpverleningstaak politie zou te ver gaan: Broze band tussen politie en hulpverlener

De discussie over de relatie tussen politie en hulpverlening werd onlangs weer nieuw leven ingeblazen met het verschijnen van het onderzoeksrapport ‘Kern van de taak’. Daarin werden kritische noten aan het adres van de politie gekraakt. Zij zou zich te veel op het terrein van de hulpverlening begeven. ‘Zonde dat dit thema weer opgerakeld wordt. Het is een oeverloze discussie die toch echt passé is.’

Feitelijke hulpverlening en nazorg is geen taak van de politie, dat moet ze overlaten aan de (reguliere) hulpverlening. In plaats daarvan moet ze zich richten op de opvang en (crisis)interventie. Althans, dat vinden hulpverleners volgens het onderzoek ‘Kern van de taak’ dat werd uitgevoerd in het kader van het programma Politie en Wetenschap. De onderzoekers, die zich verdiepten in de regio’s Amsterdam-Amstelland, Haaglanden en Brabant-Noord, plaatsten enkele kritische kanttekeningen bij de rol van de politie. Zij zou zich soms niet houden aan werkafspraken met de hulpverlening. Deels omdat de betrokkenheid van de politie bij sociaal-maatschappelijke problemen groot is, maar ook omdat zij niet altijd fiducie heeft in het optreden van uiteenlopende hulpverleningsinstanties.

Informeel

‘Het is een oeverloze discussie die toch echt passé is,’ stelt jeugdagent Piet Sinnema in Assen. ‘De keerzijde van de onophoudelijke kritiek op de politie is het gevaar dat zij haar hulpverlenende taak geheel afstoot.’ De Assense jeugdagenten - drie in totaal - werken in een netwerk samen met het Openbaar Ministerie, Bureau Halt, het gezag van de jongeren, leerplichtambtenaren, Bureau Jeugdzorg en de raad voor de kinderbescherming. Sinnema en zijn collega’s proberen door preventief te werken de recidive van criminele, overlastgevende en problematische jongeren te verminderen. Ze gaan met zowel de jongeren als hun ouders in gesprek, zoeken hen op op ‘vindplaatsen’ en bouwen vaak een vertrouwensband met hen op. Hoewel de jeugdagenten soms verder gaan dan de eerste crisisinterventie is het de bedoeling dat ze de randvoorwaarden scheppen voor een goede hulpverlening.

Sinnema schaart ruim 53 procent van de meldingen bij de politie onder ‘zorgincidenten,’ zoals overlast veroorzaken, een huiselijke twist en weglopen van huis. Een behoorlijk aandeel dat bestemd is voor de hulpverlening, maar waar de politie vaak als eerste bij is. ‘De agent is bijvoorbeeld vaak als eerste bij huiselijk geweld of mensen die overlast veroorzaken. Wanneer je het risico niet meer wilt lopen dat de politie zich met de hulpverlening bemoeit, is de consequentie dat de meldkamer de politie ook niet meer naar sommige ‘zorgincidenten’ stuurt. Wanneer je de politie van de ‘vindplaatsen,’ zoals hangplekken, afhoudt, verlies je meer dan je één-twee-drie in de gaten hebt. Het risico is groot dat informele ontmoetingen spaarzamer worden, met alle gevolgen van dien.’

Kritiek op de rol van de politie? ‘Dat moet eens ophouden,’ vindt ook Ruud Willemse van het Interventieteam van de Rotterdamse deelgemeente Charlois. ‘Ze is juist uiterst vaardig in het inschatten hoe ze probleemsituaties aan moet pakken. Afhankelijk van de persoon die ze voor zich heeft, wisselt ze perfect in de rol van good cop en bad cop. Ze weet heel goed te taxeren of iemand in de shit zit of niet.’

Bereikbaarheid

Jeugdagent Sinnema heeft vaak en intensief contact met ‘zijn’ jongeren. Dat betekent niet alleen dat hij hen veelvuldig opzoekt en aanspreekt, maar ook dat de jongeren zich zelf wenden tot de politie. ‘Wanneer een jongere zelf opvang zoekt bij psychische nood of relatieproblemen, wendt deze zich soms het liefst tot de “bekende” politie.’ Een andere reden om de politie boven de hulpverlening te verkiezen, is de soms slechte bereikbaarheid van de laatste. ‘Buiten kantoortijden is er vaak niet of nauwelijks hulpverlening. Na vijf uur ’s middags gaat doorgaans het antwoordapparaat erop.’

De jeugdagent werd in 1999 landelijk ingesteld toen er zogeheten Bolkesteingelden vrijkwamen voor de bestrijding van jeugdcriminaliteit. Duidelijk werd gesteld dat het om vier jaar zou gaan. Hoewel de politie op veel plaatsen in het land vreest voor uitholling van haar jeugdtaak vanwege de stopzetting van deze Bolkesteingelden, wordt de jeugdagent in geheel Drenthe structureel.

In het jaar dat officieel een eind zou komen aan de Bolkesteingelden (2003) is er in het politiebureau aan de Weiersstraat in Assen een voorpost van Bureau Jeugdzorg gekomen. ‘In Drenthe werd al heel snel ingezien dat de banden tussen politie en jeugdzorg stevig moesten worden aangehaald. Het werd ons duidelijk dat veel van de jongeren die bij de politie in zicht waren niet bekend waren bij Bureau Jeugdzorg,’ zegt Sinnema.

Om de problemen onder de jeugd aan te pakken, maakten de jeugdagenten in 1999 een lijst van jongeren die in Assen één of meerdere contacten hadden gehad met de politie. Bovenaan staat iemand met honderd politiecontacten op zijn naam. Sinnema: ‘Deze jongen was in 1999 al 23 keer met de politie in aanraking geweest. We hebben hem niet kunnen redden, terwijl iedereen hem kende. Er schortte duidelijk wat aan de samenwerking tussen de instanties.’

Na de ‘loopbaan’ van jongeren met de meeste politiecontacten te hebben onderzocht, kwamen de zogeheten first offenders aan de beurt. Na een uitnodiging van de politie moeten ze - met hun ouder(s) - verschijnen op de zogeheten ‘woensdagmiddaggesprekken,’ die vaak beginnen in de trant van ‘wij maken ons zorgen, we nemen aan jullie ook. Volgens Sinnema kunnen deze gesprekken, die onlangs zijn onderscheiden met de Drentse Innovatie Prijs, rekenen op een opkomst van 98 procent. ‘Naast het stopzetten van het plegen van strafbare feiten is het doel om eventuele achterliggende problematiek te achterhalen en wanneer nodig een verwijzing te forceren naar de reguliere hulpverlening.’

‘Met regelmaat zitten we dus op de grens van politie en hulpverlening,’ meent Sinnema. ‘Maar ons werk is minder effectief wanneer we ons altijd moeten beperken tot de eerste interventie.’ Hij noemt het voorbeeld dat een jeugdagent een jongere persoonlijk naar Bureau Jeugdzorg brengt. En van een meisje met een gedragsstoornis die herhaaldelijk van huis wegloopt. ‘Na weer een escalatie thuis hebben we haar in een justitiële jeugdinrichting geplaatst. Daar heeft ze zelf om verlenging gevraagd en meldde achteraf dat het haar goed had gedaan dat ze tijdelijk uit de samenleving was gehaald.’

Zorganiser

In het Rotterdamse Interventieteam, dat onderdeel uitmaakt van één van de vier lokale zorgnetwerken, werkt Ruud Willemse temidden van een sociaal rechercheur, een klantmanager van Sociale Zaken, een politieagent en een vertegenwoordiger van een woningcorporatie. Als ‘zorganiser’, zoals dat heden ten dage in gemeentelijk jargon heet, gaat hij geregeld het gesprek aan met mensen waarbij het Interventieteam is langs geweest. Vervolgens richt hij zijn pijlen op een passend zorgtraject, sociale activering of een toeleidingstraject naar werk.

Willemse realiseert zich hoe fragiel de scheiding is tussen de verschillende partijen in het Interventieteam. Hij geeft een voorbeeld van een jonge vrouw die seksueel misbruikt is, in de prostitutie zit, coke gebruikt en in internaten heeft gezeten. Haar vriend is voortvluchtig vanwege smokkel. Willemse wil hen beiden op gesprek, omdat hij verbetering wil in onder meer de psychische toestand van de vrouw en de verwaarlozing van zichzelf en haar huishouden. Nadat de vriend van de vrouw uiteindelijk op kwam dagen - omdat hij zijn leven wilde beteren - begeleidde Willemse hem naar de politie. ‘In dit geval kreeg ik van de hulpverlening de kritiek dat ik later niet meer met de vrouw had moeten spreken. Daar had men helemaal gelijk in, maar je hebt soms wel de neiging je met de zorg te bemoeien. De kritiek was helemaal niet erg. Integendeel, die moet je koesteren om je vervolgens beter bij je eigen taken te houden.’

Onbegrip tussen verschillende partijen - politie versus hulpverlening, zorgcoördinatoren versus gemeentelijke diensten, etcetera - ontstaan volgens Willemse omdat ze onderling te weinig kennis met elkaar maken. ‘Zo hadden hulpverleners van het Interventieteam het beeld dat het rücksichtslos mensen uit huis zet. Dat gebeurt natuurlijk niet. Ten eerste is er altijd een reden, omdat er bijvoorbeeld (illegale) huisjesmelkers in het spel zijn of omdat er door overbewoning onveilige toestanden ontstaan. Maar ook houden we altijd contact met de mensen die het huis uit moesten.’

Karsten Pos

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden