Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Staatssecretaris Ross VWS over samenwerking in de jeugdzorg: ‘Succes van jeugdzorg hangt af van betrokkenheid’

Om kinderen en ouders in de problemen goed te helpen, moeten de organisaties in de jeugdzorg hun verantwoordelijkheid nemen en veel beter met elkaar samenwerken. Staatssecretaris Ross maakt dit advies van de gezamenlijke inspecties tot haar credo. Nooit meer rennen van ’t kastje naar de muur. Kan de bewindsvrouw haar idealen verwezenlijken?

Ze wil niet blijven steken in wat ze noemt ‘de systeemdiscussie’. Hoewel ze vindt dat zij er wel voor is om het een goed systeem voor jeugdzorg - via de nieuwe Wet op de Jeugdzorg - op de rails te zetten. Staatssecretaris Clémence Ross wil dat instanties en hulpverleners gaan samenwerken om kinderen en ouders in probleemsituaties de hulp te geven die ze nodig hebben. Want dat laat nogal eens te wensen over, zo blijkt uit het recent verschenen rapport van de gezamenlijke inspecties voor Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming, Gezondheidszorg, Onderwijs en Openbare Orde en Veiligheid. De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is ervan overtuigd dat verbetering van de hulp achter het loket zal moeten gebeuren - bij de instanties en hun professionals. ‘Men moet bereid zijn over de muren heen te kijken en samen te werken. Daar zijn nog stevige stappen te zetten.’ Zowel op gemeentelijk niveau bij de scholen, jeugdgezondheidszorg en het algemeen maatschappelijk werk als op het niveau van de jeugdzorg, waarvoor de provincies verantwoordelijk zijn.

De conclusies van de gezamenlijke inspecties liegen er niet om. Het onderzoek naar het functioneren en de kwaliteit van voorzieningen in jeugdzorg en jeugdhulpverlening is gedaan naar aanleiding van het gezinsdrama in Roermond in augustus 2002. Aan voorzieningen ontbreekt het niet, melden de inspecties, wel aan de samenwerking tussen die voorzieningen: ‘Het is niet vanzelfsprekend dat instanties over de eigen muren heenkijken, niet duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is, er wordt geen informatie uitgewisseld en er is onvoldoende regie van de gemeenten.’

De staatssecretaris van VWS heeft zich vast voorgenomen daar iets aan te doen. ‘Ik heb met de gemeenten vaste afspraken gemaakt over hun taken op het gebied van preventie. Dit moet voorkomen dat een kind in de zwaardere hulpverlening komt en steeds van het kastje naar de muur wordt gestuurd. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor informatie, signalering, pedagogische hulpverlening en coördinatie van zorg. Het is mijn bedoeling dat in elke gemeente in de wijk of buurt een loket komt voor de, zeg maar “gemakkelijke vragen” - een vraagwijzer, dienstloket, zorgloket of hoe je het ook maar wilt noemen. De gemeente Woerden bijvoorbeeld kent iets dergelijks. Wij beginnen ook met een ondersteuningstraject voor gemeenten, waarbij we met goede voorbeelden willen laten zien hoe het beter kan.’

Het rapport van de inspecties maakt duidelijk dat met name de scholen een belangrijke functie hebben als het gaat om het signaleren van problemen. Maar binnen het onderwijs zijn geen richtlijnen voor hoe te handelen bij een vermoeden van een bedreigende situatie voor een kind. Zoals overigens ook maar een op de drie instellingen voor jeugdzorg daarvoor een protocol heeft. ‘Dat is een punt van aandacht,’ erkent de staatssecretaris, waarover ze met haar collega Van der Hoeven (Onderwijs) zal overleggen. ‘De school is een vindplaats van veel kinderleed en narigheid. Belangrijk is dat het signaal dat de school oppikt ook in een lokaal netwerk belandt, waar professionele ondersteuning gegeven kan worden. Een kind mag nooit losgelaten worden. Daarom moeten professionals met elkaar samenwerken. Als het lokale netwerk het niet redt, komt het regionale netwerk via Bureau Jeugdzorg in beeld.’

Welke maatregelen neemt u om die verbetering in gang te zetten?
‘De Wet op de Jeugdzorg, die nu in de Eerste Kamer ligt, zorgt voor meer samenhang in de jeugdzorg. Ik kan daar de provincie op aanspreken. En vervolgens zie ik erop toe dat die afspraken goed uitgevoerd worden.’ Ross vervalt weer in de ‘systeemdiscussie’, terwijl ze tijdens het gesprek steeds benadrukt hoe belangrijk het is dat ‘het veld’ de veranderingen doorzet. Natuurlijk moeten volgens haar hulpverleners tijd en ruimte nemen voor goed overleg. ‘De indicatie door Bureau Jeugdzorg en de samenwerking tussen de hulpverleningsinstellingen achter dat loket moet zorgvuldig gebeuren. Als dat goed werkt, is daar nog veel tijd te winnen. Men werkt dan niet meer langs elkaar heen en het werk wordt niet dubbel gedaan, zoals nu vaak het geval is.’

Kunt u de samenwerking tussen instanties afdwingen?
‘De provincies zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Die maken afspraken met de zorgaanbieders en kunnen ze daar op aanspreken. We gaan de meningen van cliëntenorganisaties vragen en van de mensen die werken in de hulpverleningsinstellingen. En natuurlijk wordt ook gekeken naar hoeveel mensen er geholpen worden en of de wachtlijsten korter worden. Cruciaal voor de jeugdzorg is de toegang, een goede indicering door goed opgeleide mensen van het bureau Jeugdzorg. De intakegesprekken moeten de eventuele complexiteit van het probleem direct duidelijk maken. Dan is de juiste doorverwijzing mogelijk naar verschillende instanties en dat levert tijdwinst op. Samen met de provincies ben ik ervan overtuigd dat efficiencywinst is te behalen door niet langs elkaar heen te werken. Ik heb niet de illusie dat de wachtlijsten daarmee direct opgelost zijn, maar je kunt toch heel wat meer kinderen helpen.’

Volgens de inspecties zijn er te weinig financiële middelen om probleemgezinnen voldoende aandacht te geven. De gezinsvoogdij klaagt al jaren over een te hoge caseload en er wordt zelfs op bezuinigd. 'Als dat zo is, moet dat afgestemd worden met minister Donner van Justitie, waar de gezinsvoogdij onder valt,’ ontwijkt Ross de stellingname. Ze bevestigt dat gezinnen met complexe problemen, waarvan de kinderen vaak onder de hoede van de gezinsvoogd staan, het beste geholpen zijn met intensieve begeleiding. ‘Daarom heb ik ook de gezinscoach ingevoerd, die de begeleiding kan coördineren. Het moet iemand zijn die het vertrouwen van het gezin heeft.’ Die gezinscoach kan wat Ross betreft ook drang en dwang toepassen. ‘Door met een ondertoezichtstelling te dreigen als het gezin niet vrijwillig wil meewerken. Dat helpt vaak ook om de regie te herpakken.’ De staatssecretaris heeft goed naar de deskundigen geluisterd.

En wat die financiële middelen betreft: ‘Dit kabinet investeert in de jeugdzorg: 15 miljoen in 2004 tot 48 miljoen in 2007. Daar hebben we hard voor moeten vechten, maar het is binnen. Ik denk echter dat door afstemming van hulp en zorg tussen instanties er nog veel meer geld is te verdienen.’

Gebrek aan capaciteit van de zorgaanbieder kan het recht op jeugdzorg in de nieuwe wet dwars zitten. Komt er in dat geval geld bij?‘Nou, dan moeten we toch eerst kijken naar zaken als efficiënt en doeltreffend werken. Er kunnen ook situaties zijn dat er niet direct een oplossing is voor een kind, bijvoorbeeld wanneer men op zoek is naar een passend pleeggezin. Ik ben niet bang voor capaciteitsproblemen. De bedoeling is dat we de zorg zodanig organiseren dat problemen al in een heel vroeg stadium dicht bij huis opgepakt worden, binnen het lokale netwerk, bijvoorbeeld door de jeugdgezondheidszorg, school, huisarts. Op die manier zal ook de doorstroming naar de Bureaus Jeugdzorg beperkt worden. En ja, als er écht een gebrek aan capaciteit aannemelijk te maken is, zou er in principe meer geld bij kunnen.’

De Wet op de Jeugdzorg is uitgesteld omdat de Eerste Kamer nog vragen had bij de financiële en praktische uitwerking. Ross - die inmiddels met het Interprovinciaal Overleg overeenstemming heeft over de financiële paragraaf van de invoering van de Wet - zal zich binnenkort verantwoorden voor de Eerste Kamer. ‘Waar het om gaat, is dat de middelen die we hebben ten goede komen aan de kinderen en hun ouders. Daar zijn alle partijen zich wel van bewust en iedereen wil die wet ook zo snel mogelijk ingevoerd zien. Dat zal nu in 2005 gaan gebeuren, maar ondertussen gaan de voorbereidingen gewoon door. Of de wet ook werkt voor een betere jeugdzorg, heeft niet alleen te maken met de inhoud daarvan, maar vooral ook met attitude: de motivatie om ook echt iets te doen voor mensen.’

Carolien Stam

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden