Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Vertrouwenspersoon Marion Ferber over allochtone meisjes met schrijnende hulpvragen: ‘Je leert ze in kleine stapjes emanciperen’

Marion Ferbers spreekkamer is vaak de enige plek waar allochtone meisjes in de problemen hun verhaal kwijt kunnen. De vertrouwenspersoon op een zwarte scholengemeenschap in Den Haag hoort daar schrijnende gevallen die ze stukje bij beetje in goede banen probeert te leiden. ‘De hulpverlening zou haar hand wel wat meer uit kunnen strekken, denk ik wel eens.’

‘Een meisje deed op de basisschool al een zelfmoordpoging. Ze is door twee neven en een zwager aangerand. We moeten haar nu zover krijgen dat we wat gaan doen. Ik heb een gesprek met haar moeder gehad. Langs alle kanten heb ik geprobeerd het bespreekbaar te maken, maar moeder zegt doodleuk: “Ik doe het allemaal goed. Als ze dood wil, wil ze maar dood”. Van het meisje mocht ik niet rechtstreeks zeggen dat ze aangerand wordt, want dan zou ik haar kwijt zijn. Ik heb er al wel met de politie over gesproken, maar zij moet zelf het lef hebben om het thuis te vertellen.’

Marion Ferber vertelt voor welke dilemma’s ze staat bij de begeleiding van een meisje dat problemen heeft. Ze is parttime vertrouwenspersoon en parttime docent beeldende vorming van een zwarte school in Den Haag.

Journalist Hans Krikke volgde een jaar lang de gesprekken en schreef ze op in ‘Als niemand luistert’ (Van Gennep, Amsterdam). Krikke schetst hoe Ferber hulp verleent aan allochtone meisjes die slachtoffer zijn van geweld of incest, van meisjes die abortus moeten plegen, een maagdenvlieshersteloperatie ondergaan, geschaakt worden of in de handen vallen van loverboys. Veel meisjes hebben te maken met het taboe op seksualiteit, de praktijk van het uithuwelijken en moeten hun echte verliefdheden geheim houden. Sommigen worden depressief, krijgen identiteitsproblemen of eetstoornissen, anderen verminken zichzelf (‘snijden’ of ‘krassen’) of doen zelfmoordpogingen. Voor hen is de spreekkamer van Ferber vaak de enige plek waar ze hun verhaal kwijt kunnen.

Veel meisjes slagen er niet in de eisen van hun leefwerelden te verenigen. Hun ouders ervaren de Nederlandse maatschappij vaak als slecht en vijandig. Omgekeerd is de houding van de samenleving - bijvoorbeeld de leraren - dat ze niet moeilijk moeten doen. Door het onbegrip van twee kanten komen deze meisjes terecht in een schizofrene wereld, constateert Krikke.

‘Ik vertel dit niet omdat deze groep zielig is, maar omdat ik wil dat mensen weten wat er speelt,’ zegt Marion Ferber. ‘Ik denk dat er voor de meisjes zoveel onder de dekens ligt dat het niet vol te houden is om het te verzwijgen. Het is het gebied waar nog geen woorden voor zijn. Kinderen hebben vaak geen idee wat er met hen aan de hand is. Doordat we praten, gaat het woorden krijgen.’ Erkenning binnen de school is een tweede. ‘Ik moet bij leraren voortdurend lobbyen voor begrip voor de kinderen, zonder dat ze geëtiketteerd worden als incest‑ of geweldslachtoffer. Een kind dat veel ellende meemaakt en concentratieproblemen heeft, moet gewoon een toets over kunnen doen.’

Ferber werkt samen met tal van instellingen. Zo heeft ze hulpverleners van de Riagg binnen de school gehaald: een team van een orthopedagoog en psychologen die beurtelings op haar spreekuren meedraaien. Ook werkt ze samen met de jeugdzorg, de tehuizen van de regionale instelling jeugd en is ze betrokken bij een groep hulpverleners die zich bezighoudt met suïcidale jongeren (‘Public Health’ van de gemeente Den Haag).

Cultuur en religie criminaliseren elke vorm van genegenheid en vriendschap, schrijft Krikke. De seksualiteit van meisjes en jonge vrouwen wordt vaak met geweld onderdrukt. Wat is op lange termijn de oplossing?

‘Die is eigenlijk simpel. Als ze er woorden aan kunnen geven en ze kunnen erover praten, dan gaan ze ongelooflijk opgelucht de kamer uit. Dan kunnen ze weer tijden vooruit. Het klinkt tuttig, maar je leert ze eigenlijk te emanciperen. Ik ben soms weken bezig met: “je mag wel eens ‘nee’ zeggen”. Dat hebben ze nog nooit tegen een ouder gedaan. Dat is zo onnatuurlijk, dat doe je dus in heel kleine stapjes.

‘Ik had een Afghaans meisje dat zei: “Juf, ik heb ‘nee’ gezegd, maar mijn moeder wist niet wat ze hoorde”. Uiteindelijk belde die moeder mij op en zei dat het goed ging met haar dochter. Maar die dochter werd wel uitgehuwelijkt. Daar kan ik dan wel tegen zijn, maar zoiets gebeurt toch. Je houdt ook veel respect voor de cultuur. Ik ben geen rechter, ik ga ook heel ver in het begrijpen ervan. Toen belde die moeder weer of ik haar dochter wilde voorlichten. Geweldig, we zijn samen naar een arts gegaan. Dat zijn heel kleine stapjes en je probeert de relatie met thuis goed te houden.

‘Ook heb ik een groep onzekere meiden bij elkaar gehaald voor thema’s als partnerkeuze. Die vonden dat de jongens alles doen wat door Allah verboden wordt. Dat wordt geaccepteerd omdat het jongens zijn en zij mogen geen stap zetten. Een Marokkaans meisje dat pleitte voor meer vrijheid werd afgemaaid, door haar vriendinnen die zelf verkondigen dat de verhouding jongens‑meisjes helemaal scheef zit. Die Marokkaanse is later naar een andere school gegaan. Het wordt niet geaccepteerd dat iemand zich anders opstelt, zelfs onder leeftijdgenoten niet.’

Uw probleem was eerst een gebrek aan professionaliteit om incestslachtoffers, depressieve kinderen en kinderen met zelfmoordneigingen te begeleiden, schrijft Krikke.

‘Vaak wordt gezegd dat zo’n probleem moet worden doorgeschoven naar de plek waar het hoort. Maar ergens in het traject loopt het fout. Een meisje - Willy - vertelt in het boek dat er een psychiater zit met een notitieblok en die vraagt: “wat wil je?” “Weet ik veel wat ik wil,” zegt ze dan. Er zijn blijkbaar allerlei protocollen die bij haar niet aansloegen. Ik had door dat ze haar niet wilden opnemen en toen ben ik bij haar weggegaan. Ik dacht: dan laat ik het bij jullie liggen, anders ligt het straks weer op mijn bordje. Maar die psychiater is een half uur later weer naar huis gegaan. Ze was zo verward. Elke keer dat ze bijna de stap durfde te zetten naar opname, was er iets. Nu was ze volgens de psychiater weer te psychiatrisch, waardoor ze niet opgenomen kon worden. Ze had de neiging om te springen, dat was zo moeilijk.’

Ook als de meisjes van school af zijn, houdt u vaak contact met ze. Collega’s vinden u te betrokken.

Ferber lacht erom. ‘Dat wordt niet professioneel gevonden, maar ik zie het meisje dat zelfmoord wilde plegen door chloor te drinken ook nog steeds. Als je zo dicht bij elkaar bent geweest, is het misschien heel moeilijk om afscheid te nemen. Mijn supervisor noemt het onwijs goed dat ik die groep voor de officiële hulpverlening bereik. Dat ik hun taal versta, ermee om kan gaan. Ik zie ze op school, ze maken een gebaar, ze geven een hand of raken me even aan. Meisjes die in het verleden gesneden hebben, vraag ik op de gang: “gaat het goed?” Dat kun je alleen maar doen als je ze dagelijks ziet.’

In protocollen van instellingen staat dat ouders moeten instemmen met de hulp. Eerder mag de hulpverlening niet in actie komen.

‘Daar ben ik het dus niet mee eens. Dokters krabben soms achter hun oren als de ouders er niet bij zijn. Dan zeg ik: “ik wil eerst dat u hoort wat dat meisje zegt”.’

U bent niet langer fulltime vertrouwenspersoon. De school koos voor lesgeven en minder voor de hulpverlening via een vertrouwenspersoon. Hoe moet dat nu verder?

‘Als ze blijven zeggen “school is school” en ik blijf zeggen “je kunt het een niet van het ander scheiden”, dan blijft het een gevecht. Ik gaf vandaag les en ik heb tussendoor met vijf leerlingen op de gang staan praten. De leerlingen gaan in de klas gewoon door. Maar als ik dat elke dag moet doen, raak ik zo verdeeld. Op scholen mis ik vaak de sensibiliteit om te willen horen, te kunnen horen en te mogen horen. Als je niet wil horen, dan hoor je het ook niet. Als je het niet kunt horen, dan weet je niet wat er allemaal speelt.

‘Ayaan Hirsi Ali zegt dat de hulpverlening actiever zou moeten zijn. Hulpverleners kunnen actiever op zoek gaan en soms de regie overnemen om die meisjes een stap verder te krijgen. Soms laat de jeugdzorg erg lang op zich wachten. Twee ouders vechten een scheiding over het hoofd van een leerlinge uit, ze wordt knettergek van de tegenstrijdige opdrachten die ze van beiden krijgt en weegt nog maar 28 kilo. De snelheid van de hulpverlening ligt vaak aan de betrokkenheid van de desbetreffende hulpverlener. We wachten nu al vijf maanden. Vervolgens vragen ze: “wat is je hulpvraag?” Maar als je zelf niet weet wat je hebt, als je je alleen maar rot voelt, dan heb je de woorden er niet voor. Je moet dat leren verwoorden. Je moet die meiden echt trainen hoe ze daar hun verhaal moeten doen. De hand zou eens uitgestrekt kunnen worden, denk ik wel eens.’


Martin Zuithof

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden