Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Wetenschap focust zich op biologische kenmerken crimineel gedrag: De opmars van preventieve medicatie

Het was lange tijd taboe, maar oorzaken van crimineel gedrag worden steeds meer gezocht in biologische kenmerken van de persoon. Zo start er binnenkort een grootschalig onderzoek om te kijken of crimineel gedrag op heel jonge leeftijd te herkennen is. Vervolgens is het de vraag of medicatie een opmars moet doormaken bij het voorkomen van buitensporig gedrag. 'Er is nog te weinig bekend over de effecten van medicijngebruik in combinatie met therapie.'

Waar ex-criminoloog Wouter Buikhuisen in de jaren
zeventig zijn eigen glazen ingooide toen hij suggereerde dat er een aangeboren
of erfelijke component zou kunnen zitten in crimineel gedrag, lijken
onderzoekers nu toch met die gedachte mee te gaan. Theo Doreleijers, hoogleraar
kinder- en jeugdpsychiatrie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en verbonden aan
het Paedologisch Instituut, stelt dat eenderde van de groep jongeren die voor de
kinderrechter verschijnt aan adhd of een andere stoornis lijdt. En volgens hem
is dat is goed te behandelen met medicatie. Hij start binnenkort een
grootschalig onderzoek onder peuters, om te kijken of crimineel gedrag
vroegtijdig te herkennen is. Is dat het geval, dan kun je volgens hem al vroeg
beginnen om het gedrag van zo’n kind in goede banen te leiden.



Psychische stoornissen



Het onderzoek naar de biologische oorzaken van criminaliteit en geweld was
lange tijd taboe. Zeker in Nederland, waar onderzoekers niet dezelfde fout
wilden maken als Buikhuisen, die zijn wetenschappelijke carrière de mist in zag
gaan. Men moest wel van goede huize komen om te suggereren dat er ook een
erfelijke of aangeboren component zou kunnen zitten in crimineel gedrag. In 1992
werd een lezing door psycholoog Hans Jürgen Eysenck nog afgelast, nadat er een
dreigtelefoontje was gekomen dat de lezing verstoord zou worden wegens ‘fascisme
en racisme’. Op een congres in 1999, georganiseerd door Doreleijers, vertelde de
onderzoeker Han Brunner dat hij begin jaren negentig nog sterk twijfelde of hij
wel moest publiceren dat hij bij toeval een zeldzame, genetisch bepaalde
stofwisselingsziekte had ontdekt die samenhing met impulsief agressief gedrag.
Uiteindelijk publiceerde hij toch en werd zijn artikel in Science een
klassieker.

De laatste jaren is criminaliteit hoger op de politieke agenda komen te
staan en er wordt steeds harder om een nieuwe oplossing gevraagd. Na al die
jaren is het nu toegestaan om in Nederland openlijk na te denken over biologie
en criminaliteit. Dit lijkt vooral te komen door de groei van het aantal
jeugdige criminelen. Uit het jaarverslag van het Openbaar Ministerie blijkt de
toenemende gewelddadigheid door jongeren een trend die zich al zeker vijf jaar
aftekent. Vorig jaar zijn 26.243 geweldszaken gepleegd door jongeren bij het OM
binnen gekomen. Vergeleken met 1996 is dit aantal met een kwart toegenomen. Het
aantal jongeren tot zeventien jaar dat verdacht werd van moord, doodslag of een
poging daartoe, is de afgelopen jaren bijna verdubbeld tot ruim 1300 kinderen.




Doreleijers promoveerde in 1995 op een onderzoek waaruit bleek dat
tweederde van de jeugdige criminelen die voor de kinderrechter verschijnen aan
een psychische stoornis lijdt. De meeste stoornissen worden volgens hem niet
herkend en behandeld. Van de onderzochte kinderen in de leeftijd van twaalf tot
vijftien jaar, bleek eenderde adhd te hebben. Hij vindt dat er meer aandacht
besteed moet worden aan deze stoornissen en pleit voor onderzoek naar de
werkzaamheden van geneesmiddelen bij het voorkomen van afwijkend,
agressief-crimineel gedrag. Hij zegt dat hij door het voorschrijven van het
medicijn Ritalin al verschillende jongeren uit het politiebureau heeft weten te
houden.

Doreleijers begint met een aantal onderzoekers waarschijnlijk al binnen
een half jaar met een groot onderzoek onder tienduizend peuters naar factoren
die wijzen op latere depressie, verslaving of criminele loopbaan. Het onderzoek
wordt uitgevoerd door wetenschappers van de VU Amsterdam, het Wetenschappelijk
Onderzoeks- en Documentatiecentrum, het Paedologisch Instituut, de GG&GD in
Amsterdam en de Universiteit Utrecht. In het onderzoek worden alle aspecten
onderzocht, zoals de biologische en de sociale. De kinderen zullen zes jaar
worden gevolgd.



Leeftijdsgebonden

Vrijwel alle onderzoekers zijn het erover eens dat een combinatie van
medicijnen en therapie de beste methode is om criminele, gewelddadige jongeren
met adhd en andere stoornissen te helpen. Toch schuilt hier ook een gevaar in,
zegt Jan Nijboer, universitair docent jeugdcriminologie aan de Rijksuniversiteit
Groningen. ‘Het probleem is dat er mogelijk te snel wordt overgegaan op het
toedienen van medicatie. Volgens mij is het een automatisch effect dat nieuwe
medicijnen overdreven positief worden ingeschat. De neveneffecten worden pas
veel later bekend. Door het gebruik van medicijnen kan men het idee krijgen dat
crimineel gedrag een ziekte is. We moeten echt goed benadrukken dat het om een
specifieke groep gaat, die consistent verkeerde dingen doet. Daarom moet je ook
zorgvuldig afwegen wie je wel en niet medicijnen geeft. Wanneer we medicijnen
toedienen, moet wel vaststaan dat het om een stoornis gaat en bij het
diagnosticeren van bijvoorbeeld adhd worden veel fouten gemaakt.’ Nijboer vindt
dat men niet te snel verbanden moet leggen. ‘Een oorzakelijk verband is moeilijk
te leggen. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat veel agressieve mensen een hoog
cholesterol hebben. Als je daar medicijnen voor geeft, is de agressie natuurlijk
niet weg. Ook bij een medicijn als Ritalin kun je niet zeggen dat het meteen een
oplossing is voor de problemen.’

Nijboer wil benadrukken dat hij absoluut niet tegen het gebruik van
medicatie en therapie is. ‘Er kunnen veel mensen mee geholpen worden. Maar ik
denk dat er wel een gevaar schuilt in de werkdruk die therapeuten hebben. Ik ben
wel eens bang dat de therapie er bij inschiet omdat instellingen hun output
moeten halen. Medicatie kan dan een snelle oplossing lijken, maar het moet in
geen geval de therapie gaan vervangen. De combinatie, daar gaat het om.’ Nijboer
komt in de praktijk problemen tegen wanneer Ritalin wordt ingezet bij criminele
pubers en er geen controle op is. ‘Veel jongeren die aan de Ritalin worden
gezet, stoppen met het gebruik van het medicijn omdat ze dan niet kunnen
drinken. Het gebeurt wel dat ze de medicijnen opsparen en dan op straat
verkopen. Dit risico loopt de hulpverlening ook als ze de jongeren uit het oog
verliest,’ aldus Nijboer. De criminoloog denkt dat veel mensen vergeten dat
jeugdcriminaliteit vaak leeftijdsgebonden is, doordat men steeds vaker naar
oplossingen zoekt. ‘Het gros van de jeugdige delinquenten houdt er op een
bepaalde leeftijd gewoon mee op. Het is wel zo, dat hoe jonger het kind dit
gedrag vertoont, hoe slechter de prognoses zijn. Naar die extreem jonge groep
zou je beter moeten kijken.’



Beter dan detentie

Arga Paternotte, woordvoerder van Balans, de landelijke vereniging voor
ontwikkelings-, gedrags- en leerproblemen, voorziet ook problemen als er niets
verandert aan de jeugdhulpverlening. ‘Als de werkdruk van hulpverleners alleen
maar groter wordt, zal er niet altijd therapie voor deze jongeren zijn. Als we
er als maatschappij voor kiezen om niet veel meer geld in de zorg te stoppen,
dan denk ik dat we die kant op gaan. De jongeren die zulke complexe problemen
hebben, worden echt niet beter van een pilletje alleen. Juist door de medicijnen
gaan ze meer naar zichzelf kijken en ze beseffen dat ze anders zijn. Dat kan
depressiviteit tot gevolg hebben. Er is voortdurend coaching nodig om de
problemen onder ogen te zien en hoe ze daar mee om moeten gaan.’ Om tot een
betere begeleiding te komen pleit ze dan ook voor een speciaal programma voor de
agressieve en criminele jongeren. Zij denkt dat Doreleijers onderzoek hier een
aanzet toe kan zijn.

Paternotte vindt dat jongeren wel toerekeningsvatbaar zijn voor hun
daden. ‘Biologische factoren zijn geen excuus, maar een verklaring voor het
gedrag. Toch denk ik, net als Doreleijers, dat voor deze specifieke groep
behandeling beter is dan detentie.’ Ook stelt ze dat door alle negatieve
berichten in de media over Ritalin en andere medicatie, veel ouders niet willen
dat hun kind het krijgt. ‘Nu is ongeveer een procent van de kinderen aan de
medicijnen, terwijl uit onderzoek blijkt dat tussen de twee en drie procent
medicatie nodig heeft. Men denkt dat het zo’n hype is en dat tegenwoordig alle
lastige kinderen pillen krijgen, maar dat is dus echt niet het geval.’



Om te voorkomen dat het gedrag van kinderen met adhd en andere stoornissen
uit de hand loopt, vindt Paternotte dat men al op de lagere school moet beginnen
met medicatie en therapie. ‘Er is echter nog te weinig bekend over het effect
hiervan. Daarom ben ik ook zo blij dat Doreleijers hier het voortouw in neemt.
Ik vind wel dat we moeten oppassen dat we niet doorslaan. Er is nooit één goede
methode. Door de complexiteit van de stoornissen is er altijd therapie nodig en
daarom moeten we nu ook echt wat doen om te voorkomen dat de situatie in de
hulpverlening net zo uit de hand loopt als in het onderwijs. Als de problemen
echt zichtbaar zijn, dan ben je al te laat. En dan duurt het jaren voordat je
die weer een beetje hebt opgelost. Daarom moeten we ook duidelijk de discussie
voeren over het gevaar dat dreigt als we niet investeren in therapie.’



Zelfregulerend

Doreleijers denkt dat het vooral belangrijk is om jongeren zelf te
blijven motiveren, vooral in de puberteit. ‘Je bereikt die motivatie door de
jongeren te betrekken in een onderzoek, waar ze zelf uit kunnen concluderen of
de medicijnen helpen of niet. Maar je moet ze nooit dwingen, ook een rechter
niet. Dat mag, kan en werkt ook niet.’ Doreleijers vindt dat alleen in de
gevallen van adhd in combinatie met psychosociale complicaties zowel therapie
als medicatie nodig is. ‘Grootschalig wetenschappelijk onderzoek heeft
aangetoond dat in de gevallen van adhd zonder psychosociale complicaties
medicatie alleen voldoende is. Wanneer er wel complicaties zijn, is er
gezinstherapie en gedragstherapie nodig. Als je daarop bezuinigt, werkt de
medicatie niet. Het is dus een soort zelfregulerend mechanisme.’

Om de stoornissen vroeg op te sporen, vindt Doreleijers dat het
takenpakket van consultatiebureau- en schoolartsen uitgebreid moet worden. Hij
vindt dat ze niet alleen naar oren en ogen moeten kijken, maar ook naar
psychische stoornissen. Verder zou het volgens hem beter zijn dat zorgverleners
in kleinere behandelgroepen werken aan de problemen van deze jongeren.



Een voorbeeld van zo’n kleine behandelgroep is De Derde Oever in Amsterdam,
een afdeling van het Paedologisch Instituut. Sinds 1997 werkt het met drie
andere instellingen onder de naam De Volharding samen om jonge criminelen met
psychische problemen beter te behandelen. Het project kreeg de ereprijs van het
Nationaal Fonds Geestelijke Volksgezondheid in 1997.



Bas Brown werkt als gedragstherapeut op De Derde Oever, die een forensisch
psychiatrische dagbehandeling verzorgt voor criminele jongeren met
gedragsproblemen en psychiatrische problematiek. Naast het behandelen van deze
jongens neemt de begeleiding van de ouders een belangrijke plaats in. Er zitten
tien jongens tussen de 12 en 21 jaar oud die naast gedragsproblemen en
psychische stoornissen meestal zijn opgepakt voor een geweldsdelict. Volgens
Brown krijgt de helft van de groep medicatie.



‘Het effect van de medicijnen is snel zichtbaar, maar door de complexe
problematiek is alleen behandeling met medicijnen niet voldoende. Er zijn hier
jongens waarbij bijvoorbeeld adhd al heel vroeg onderkend is en die al vanaf
heel jonge leeftijd medicatie krijgen, maar met onvoldoende behandeling. Daar is
vaak de hele situatie op school en thuis verstoord. Medicijnen kunnen veel
voordelen geven, maar de jongens ervaren het ook vaak als nadelig. Ze voelen
zich geremd en hebben daarom ook minder plezier in dingen. Ze moeten leren
accepteren dat ze een handicap hebben en daarbij hebben ze begeleiding nodig.’




Kansen op herstel

Terwijl de meeste instellingen in de jeugd-ggz steeds minder tijd
hebben, kunnen de instellingen die onder De Volharding vallen door de
kleinschalige manier van werken voldoende tijd besteden aan de behandeling. ‘We
hebben natuurlijk te maken met complexe problematiek en die wordt ook maar bij
een relatief klein gedeelte van de jongens, dat voor de kinderrechter
verschijnt, erkend. Daarom denk ik dat er relatief gezien nog maar zo weinig
jongens bij ons komen. Ik denk dat er veel jongeren in de gevangenis belanden
die eigenlijk therapie nodig hebben,’ aldus Brown.



Om te onderzoeken hoe jongens met psychiatrische problematiek in kaart
kunnen worden gebracht, start De Derde Oever een aantal pilot projecten in
samenwerking met Bureau Jeugdzorg en een school voor zeer moeilijk opvoedbare
kinderen. Brown staat helemaal achter het aanstaande onderzoek van Doreleijers.
‘Het is goed om de problemen tijdig op te sporen. De jongens die bij ons komen
zijn vaak al helemaal vastgelopen en daardoor worden de kansen op herstel een
stuk moeilijker. Toch is uit onderzoek gebleken dat op iedere leeftijd succesvol
kan worden ingegrepen. Wij zouden dit werk natuurlijk niet doen als het geen zin
zou hebben. We zijn nu bezig met een onderzoek en ik kan al wel zeggen dat het
merendeel op dit moment redelijk goed functioneert.’/Ester
Mijnheer

Administrator

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden