Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Ibrahim Yerden: ‘We hebben meer Aboutalebs nodig’

De afgelopen veertig jaar zijn de ideeën over opvoeding in Turkse en Marokkaanse gezinnen sterk veranderd. Moeders verlangen van vaders meer betrokkenheid bij de kinderen en school. Maar vaders zijn niet gewend aan kritiek. En de kinderen, die worden mondiger.
Ibrahim Yerden: ‘We hebben meer Aboutalebs nodig’

Rabat en Ankara liggen zo’n 3000 kilometer uit elkaar. Toch zijn er grote overeenkomsten tussen Marokkanen en Turken. Zeker in Nederland. De eerste generaties kwamen in dezelfde jaren naar hier. ‘En bij beide zijn de gezinssituaties geordend volgens een patriarchaal systeem met een traditionele rolverdeling’, vertelt Ibrahim Yerden. ‘Daarbinnen spelen mechanismen als respect, loyaliteit en sociale controle een belangrijke rol. Maar er zijn ook verschillen. Bij Turken zie je bijvoorbeeld sterke nationale gevoelens. In Marokkaanse gezinnen zijn de relaties wat losser, meer individualistisch.’

Ibrahim Yerden, verbonden aan PRIMO nh en het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (IMES) van de Universiteit van Amsterdam, publiceerde onlangs het boek Schaamte en strategisch handelen - Opvoeding in Marokkaanse en Turkse gezinnen. Hiervoor verrichtte hij kwalitatief onderzoek en sprak ouders, kinderen en hulpverleners. ‘Je kunt de uitkomsten niet generaliseren, maar ze geven wel inzicht in de opvoedingssituatie.’

Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen?
‘Kinderen van de eerste generatie namen de opvoedingswaarden van hun ouders over. Ze vonden opleiding vooral belangrijk voor hun zonen. Voor de meisjes was er het huwelijk. Bij de tweede generatie zie je dat ouders andere ideeën hebben: die vinden opleiding ook heel belangrijk voor meisjes. Vooral de moeders zagen dat je het in Nederland kunt redden op individuele capaciteiten. En dat het huwelijk voor dochters geen garantie meer was voor een goede toekomst.’

Maar de dochters moeten ook veel in het huishouden doen en worden kort gehouden.
‘Meisjes van de derde generatie Turken en Marokkanen handelen strategisch binnen een typische migratiecontext: ze willen aan twee kanten aan de verwachtingen voldoen. Ze maken zich de normen en waarden van hun ouders eigen, maar ook die van school en straat. Daaruit ontstaat een rijke identiteit. Ze gaan flexibel om met verschillende gedragscodes.’

En toch hebben veel meisjes nog steeds weinig vrijheid. De emancipatie duurt lang.
‘Vrouwen van de eerste generatie dachten: “mijn lichaam is voor mijn man”. Bij de tweede generatie is dat: “mijn lichaam is van mij”. Dat is al een grote stap. Je kunt erover discussiëren of de emancipatie kort of lang duurt. Maar als je het proces onder druk zet, dan gaat het mis en zie je meer identiteitscrises, relatieproblemen en raken jongeren de weg kwijt. Terwijl als je meisjes ondersteunt, ze hun identiteit in hun eigen tempo ontwikkelen en uitgroeien tot volwaardige vrouwen.’

Hoe doe je dat in de praktijk?
‘Het begint met luisteren. Er is nog te weinig oog voor de positie van meisjes. Ze doen het op school beter dan hun broers en zijn productiever. Tegelijkertijd hebben ze last van negatieve beeldvorming, bijvoorbeeld over hoofddoekjes. Ook politieke uitspraken hebben grote invloed op het zelfbeeld. De Marokkaanse gemeenschap wordt wat dat aangaat duidelijk meer geproblematiseerd dan de Turkse. Veel Marokkanen voelen zich tweederangsburgers. Ik ken een meisje dat van zichzelf zegt: “Het gaat goed op school. Ik ben eigenlijk succesvol. Maar soms als ik in mijn bed lig, denk ik: ik doe alles goed, maar toch ben ik Marokkaan.”
De benadering is heel belangrijk. Daar ligt een grotere taak voor de school. Want als je de emancipatie wilt bevorderen, moet je daar beginnen.’

Scholen hebben al zoveel taken.
‘Zowel ouders als jongeren wantrouwen instellingen als jeugdzorg, maar hebben wel veel vertrouwen in de school. Je kunt denken aan het opzetten van groepsgesprekken voor ouders, ook als er geen problemen zijn. Zo kunnen ze samen meer leren over opvoeden. Het zou goed zijn als bijvoorbeeld het Centrum voor Jeugd en Gezin meer aansluiting zou hebben bij het onderwijs. De school is een neutrale plek, een normale omgeving.’

Wat bestaan er bij Marokkaanse en Turkse gezinnen grosso modo voor ideeën over opvoeding?
‘Veel ouders denken dat als er brood op tafel is, een dak boven het hoofd en schone kleren, dat er dan opvoeding is. Zo zien traditionele mensen dat.’

Dat was in de jaren ’50 in Nederland net zo: luisteren betekende gehoorzamen, opvoeden gebeurde met harde hand.
‘Veel ouders van de tweede generatie delen wel eens een klap uit, maar ze weten tegelijkertijd dat slaan niet goed is. Het gebeurt vooral uit stress, machteloosheid of vermoeidheid.
Overigens zijn kinderen van de derde generatie veel eerder mondig, maar veel later volwassen dan hun ouders destijds. Toen die 13, 14 jaar waren, werd er gesproken over het huwelijk. Ze moesten problemen oplossen met formulieren, tolken voor hun ouders en hun best doen op school. De jongeren van nu verkeren met 22, 23 jaar nog in de adolescentiefase. Ze hebben meer vrijheid en minder verantwoordelijkheden.’

Maar dan vooral de jongens.
‘Het patriarchale systeem is diepgeworteld. Het duurt jaren om dat te veranderen.’
Toch voelt het oneerlijk: meisjes die zo hun best doen, maar weinig aan vrijheid winnen.
‘Dat is ook niet eerlijk, maar er is ook vooruitgang. Vroeger was het ondenkbaar dat Turkse of Marokkaanse meisjes op kamers gingen wonen. Nu gebeurt dat wel. Dat is een grote verandering.’

Met een deel van de jongens gaat het niet goed. Kennelijk is de gedachte dan niet ‘misschien moeten we onze zonen wat strenger controleren in plaats van onze dochters’.
‘Ouders hebben het idee dat meisjes kwetsbaar zijn. Ze willen hun dochters onder controle houden. Van de eerste generatie trouwden de meesten als maagd, van de tweede hadden meisjes wel relaties, maar veelal met behoud van hun maagdelijkheid. Van de derde generatie zal de helft van de meisjes geen maagd meer zijn voor het huwelijk. Die verandering heeft zich binnen veertig jaar voltrokken. Zo lang is dat nu ook weer niet. Er is veel bereikt. De integratie is succesvol.’

Vooral moeders hebben een emotionele band met de kinderen, maar vaders zijn het hoofd van het gezin. Waar leidt die rolverdeling toe?
‘Traditioneel bepalen de moeders alles binnenshuis, ook de opvoeding. Maar vrouwen van de tweede generatie geven tegengas. Ze willen dat vaders meer betrokken zijn bij de opvoeding, de school en bij huishoudelijke taken. Maar vaders zijn die kritiek niet gewend en niet zo flexibel. Gezinnen staan zo nogal eens onder druk. Helaas neem het huiselijk geweld toe. Aan de andere kant zie je dat het kerngezin belangrijker wordt: vader, moeder en kinderen. En er zijn steeds meer eenoudergezinnen. Dat levert weer nieuwe vragen op: hoe ga je met een echtscheiding om? Hoe regel je dan de zorg voor de kinderen?’

Binnen de hulpverlening treedt segregatie op, schrijft u: allochtone hulpverleners worden geacht voor allochtonen te werken, autochtone hulpverleners voor autochtonen.
‘Als je van de buitenkant naar een instelling kijkt, lijkt het een eenheid. Maar van binnen is het beeld anders. Hulpverleners worden opgeleid om voor de hele Nederlandse samenleving te werken. Maar eenmaal werkzaam bij een instelling, blijken daar vaak twee culturen te zijn gecreëerd: een allochtone en een autochtone. Vaak worden hulpverleners aangenomen op basis van hun achtergrond en die van de cliënten. Dat is slecht, want zo ziet een autochtone hulpverlener op gegeven moment het probleem van bijvoorbeeld een Marokkaanse cliënt niet meer als “zijn zaak”. En andersom. Daardoor verliezen hulpverleners het zicht op een deel van de samenleving.’

U pleit voor interculturalisatie.
‘Het management maakt een grote fout. Vaak is dat een bolwerk van witte mannen, die nauwelijks luisteren naar hulpverleners. Instellingen zouden zich horizontaal moeten organiseren. De vraag moet zijn wat er op dit moment nodig is in Nederland. Wil de overheid bezuinigen, dan moet zij kiezen voor minder managers en meer inhoudelijke sturing. Maar dat is wel moeilijk, want de huidige managers zijn erg machtig.’

Terug naar de families. Door uw boek zou je bijna denken dat het allemaal een pot nat is.
‘Natuurlijk zijn er Marokkaanse en Turkse gezinnen waarin zowel zonen als dochters prima en gelijkwaardig worden begeleid naar een goede toekomst. En er is ook onderling kritiek: de ene Turkse ouder vindt de andere conservatief, ouderwets. Gelukkig zijn er ook rolmodellen als burgemeester Aboutaleb en staatssecretaris Albayrak. Zij hebben een enorme voorbeeldfunctie voor Marokkaanse en Turkse jongeren. Van die rolmodellen zou je er veel meer moeten hebben.’

Dit artikel staat in Zorg + Welzijn Magazine nr 9, september 2010.

Bron: fotografie Diederik van der Laan

Hedwig Ramirez Londoño-Neggers

Gerelateerde tags

2 reacties

  • no-profile-image

    ijsclub

    Ik heb alleen commentaar op laatste opmerking; inderdaad 1962 een goed bouwjaar ;)

  • no-profile-image

    anita

    Zo grappig alleen door te spreken over tweede generatie etc. denk ik dat het hier -niet- over mijn thuissituatie gaat.
    Mijn ouders.. hoeveelste generatie? - wijken met hun katholieke achtergrond in het geheel niet af van het bovenstaande. Mijn broer kregen aandacht voor hun opleiding. Zij hoefden niet mee te helpen in het huishouden en ... mijn moeder ging gewoon met een hoofddoek op naar de kerk op zondag.
    En ik ben van bouwjaar 1962 (best een goed bouwjaar trouwens) ;-)

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden