Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Ella Vogelaar blikt terug: ‘Ik heb een jaar lang alleen maar gevochten’

Als minister van Wonen, Wijken en Integratie wilde Ella Vogelaar niet polariseren, maar verbinden. Daarvoor kreeg ze weinig ruimte van PvdA-leider Wouter Bos. Ook lag ze veelvuldig met hem in de clinch over het geld voor de veertig krachtwijken. Een terugblik van een ‘ontzettend inhoudelijk gedreven’ politica op haar bezoeken aan de wijken, de chaos in de inburgering, het aanbestedingscircus en de fouten van het welzijnswerk. ‘De hele politiek, ook de PvdA, is heel erg meegegaan met het verhaal van Verdonk.’
Ella Vogelaar blikt terug:  ‘Ik heb een jaar lang alleen maar gevochten’

Door Martin Zuithof - ‘Deze week verschijnt mijn boek ‘Twintig maanden knettergek’. Zo noemde Wilders mij, knettergek, en dat heb ik toen als geuzenaam gekozen. Het is ook een heftig ministerschap geweest met zo’n voortijdige beëindiging. Je moet wel knettergek zijn om je maatschappelijke positie op te geven en aan een functie te beginnen waarin je keihard kan worden afgerekend.’

‘Ik heb er absoluut van genoten. Zelfs nu ik weet dat ik voortijdig weg moest, zou ik het nog een keer doen. Ik word ontzettend gedreven door de inhoud. Ik moet me kunnen verbinden met iets dat ik inhoudelijk maatschappelijk belangrijke vraagstukken vind. Zowel de ontwikkeling van corporaties, de wijkaanpak als de integratie en inburgering vind ik belangrijke thema’s, waar ik uitgesproken opvattingen over heb. Dat in combinatie met beleidskaders formuleren, die door gemeenten en maatschappelijke organisaties uitgevoerd moeten worden en de samenwerking die daarbij moet ontstaan. Daarover heb ik bij eerdere projecten veel ervaring opgedaan, bij de Samenwerking Werk en Inkomen en de Taskforce Inburgering. Er is een grote kloof tussen wat er in Den Haag wordt bedacht en de uitvoering. Daar wilde ik wel vier jaar mijn tanden in zetten. ik denk dat ik toch een aantal dingen in gang heb gezet, die zo op de rails staan dat ze een vervolg kunnen krijgen.’

‘Ik ging graag de wijk in, ja. Mijn analyse is: beleidsnota’s maken is een ding, en in Den Haag denkt men dan dat de zaak geregeld is, maar dan begint het pas. De vraag is of het ook uitgevoerd kan worden. Er wordt veel te veel beleid gemaakt dat niet aansluit bij de werkelijke problemen en oplossingen. Wil je dat in Den Haag goed kunnen doen, dan kan dat alleen als ik me laat voeden door de mensen op wie dat beleid betrekking heeft, de wijkbewoners en de nieuwe Nederlanders. Hoe kijken zij tegen wijkenaanpak en inburgering aan? En hoe kun je dat toepassen in wet- en regelgeving? Daarnaast worden professionals ook veel te weinig gehoord over de problemen waar ze tegen aanlopen in de uitvoering. Daar doelde ik op toen ik zei: er is veel meer mogelijk dan vaak gedacht wordt door hulpverleners.’

Aanbestedingscircus
‘Het aanbestedingscircus heb ik de afgelopen jaren van dichtbij meegemaakt, onder andere als voorzitter van de brancheorganisatie voor reïntegratiebedrijven. Dat speelt nu overal: in de thuiszorg, welzijnswerk en inburgering. Ik geloof er absoluut in dat de subsidierelatie geen automatisme moet zijn. Maar de aanbesteding is verworden tot bureaucratie waarin het alleen nog maar gaat om juridisering, afdekken van financiële risico’s, zo goedkoop mogelijk, niet om kwaliteit. Het is een karikatuur van waarover het zou moeten gaan.’

‘Toen ik aantrad als minister had ik heel veel kritiek op de wet van Verdonk. Die was een bureaucratisch gedrocht geworden en naar mijn idee onuitvoerbaar. Ik ben ook heel kritisch ten opzichte van gemeenten. Zij hadden sinds 2002 al ervaring met de inkoop van reïntegratie. De verkokering binnen de gemeenten is blijkbaar zo groot dat de ervaringen die daar zijn opgedaan niet gebruikt zijn bij de inkoop van inburgering.’

‘Ook alle ervaringen over hoe je inburgeraars moet bereiken zijn gewoon weggespoeld. Dat hadden we met de Taskforce Inburgering tot 2002 opgebouwd, door intensief samen te werken met gemeenten. We wisten dat het niet werkt als je formele brieven aan inburgeraars gaat schrijven. “U wordt aanstaande dinsdag verwacht voor een intake voor de inburgering bij het Centrum voor Werk Inkomen”. Mensen kunnen die brief niet eens lezen. Veel vrouwen zitten in een isolement, komen niet verder dan hun vertrouwde buurt, die gaan niet naar het stadhuis, die reizen niet met de bus. Verdonk wilde de rol van de gemeenten marginaliseren en daardoor zijn die gemeenten achterover gaan leunen. In de vier jaar Verdonk is inburgering van de politieke agenda van gemeenten verdwenen. Dat vertaalt zich onmiddellijk door in de uitvoering, heel veel mensen met know-how over inburgering zijn vertrokken.’

‘Dat de klassen bij de ROC’s en private aanbieders leeg bleven had ook te maken met het feit dat de gemeenten het hele proces op de verkeerde manier hadden ingericht. Geen goede intake, ontzettend versnipperde dienstverlening. Amsterdam werkt bijvoorbeeld samen met 39 taalaanbieders, allemaal verschillende contracten en partijen. Mensen moesten eerst langs een loket in het stadsdeel, dan naar een assesmentbureau dat ze doorverwijst naar de centrale stad, waar vervolgens groepen moeten worden samengesteld. Dan duurt het weer een half jaar voor er een uitnodiging voor de cursus volgt. Je wil het niet weten. Wie bedenkt zoiets?’

Taalmaatjes
‘De combinatie met stage, werk of vrijwilligerswerk is nodig om resultaat te boeken. Het grootste deel van de mensen die moeten inburgeren is laagopgeleid, heeft vaak geen onderwijstraditie of is zelfs analfabeet. In mijn eigen omgeving heb ik een Turkse familie waarmee ik redelijk intensief optrek. Een vrouw van begin veertig die al vanaf haar twaalfde in Nederland is. We hebben haar zover gekregen dat ze met werkelijk heel veel inspanning via een-op-een onderwijs met mijn partner het diploma taxichauffeur-groepsvervoer heeft weten te halen. Voor haar was dat echt een droom, dat ze iets anders kon doen dan haar hele leven schoonmaken. Je wilt niet weten hoe moeilijk dat is.’
‘Het betekent dus dat het niet begint met iemand in een klaslokaal stoppen, want die mensen voelen zich daar alleen maar unheimisch. Je moet dus eerst zorgen dat ze het zelfvertrouwen krijgen om te durven leren. Dat kun je belachelijk vinden, maar dat zijn de problemen waar het om gaat. In de politieke discussie wordt dan van mij gezegd dat ik die softe mevrouw ben, die het wil oplossen met een kop koffie. Je moet echt weten welke problemen overwonnen moeten worden om die mensen Nederlands te leren.’

‘Toen ik de Taskforce Inburgering leidde zag ik dat je die mensen wel naar die cursussen kunt laten gaan, maar ze moeten de taal ook in de praktijk oefenen. Ze zitten in een sociale omgeving waar alleen maar Turks, Berbers of Arabisch wordt gesproken. Taalmaatjes kunnen iemand helpen bij de taal, maar ze ook empoweren, zelfvertrouwen geven. Er zijn heel veel mensen die dat willen doen, dat is helemaal niet zo moeilijk. Het Oranje Fonds heeft het gedaan met gewone huisvrouwen die meededen in hartstikke leuke projecten. Die werden gewoon geworven via de Margriet, Libelle of de huisvrouwenvereniging.’

‘Wij organiseren die taalmaatjes samen met vijf grote vrijwilligersorganisaties, zoals Vluchtelingenwerk, Rode Kruis, Gilde Nederland en Humanitas. Je moet die maatjes namelijk ook opleiden en begeleiden, ze bewust maken van de vraag hoe ver ze willen gaan. Ze gaan vooral iets doen met de inburgeraar: naar de markt, naar de film, naar de school van de kinderen, de sportvereniging, de gemeente, samen borduren, bedenk maar wat je leuk vindt.’

Integratiedebat
‘De hele politiek, ook de PvdA, is heel erg meegegaan met het verhaal van Verdonk. Er heeft maar een kamerlid tegen de wet van Verdonk gestemd, Koser Kaya van D66, om het even in perspectief te zetten. Onder invloed van Verdonk en Wilders is het polariseren, het wij-zij-denken in het integratiedebat ontzettend aangezet. Dat is een heilloze weg, daarvan ben ik tot in de diepste vezels van mijn lijf overtuigd. Je moet het lef hebben om te zeggen dat het allemaal lekker populistisch klinkt, maar dat polarisatie een schijnoplossing is.’

‘Het idee van Wilders, “we zetten ze over de grens”, kan natuurlijk helemaal niet. Die mensen zijn er, het overgrote deel wil een goede burger van dit land zijn en er is een deel dat problemen veroorzaakt. Het is fout dat we dat in de jaren tachtig onvoldoende hebben onderkend, maar de overgrote meerderheid wil niets liever dan deelnemen en een goed burger zijn. Dat verhaal moeten we vertellen, zodat we binden en niet verdelen.’

‘Ik heb een stevige discussie met Wouter daarover gehad, ook publiekelijk, toen hij ging roepen: er moet meer gepolariseerd worden. Ik was als minister van integratie juist gekomen om te zeggen: er moet minder gepolariseerd worden. Ik vond dat onbegrijpelijk, we waren het fundamenteel oneens. In de media is er steeds een tegenstelling gecreëerd, namelijk voor of tegen een harde aanpak. Daar gaat het niet om, dat vindt iedereen: je moet zowel hard als zacht zijn. Wil je polariseren of wil je met elkaar als burgers van dit land die samenleving vormgeven? Wil je samen die verantwoordelijkheid aangaan en iedereen op de verantwoordelijkheid aanspreken? Dan verbind je en bied je perspectief. Dat was mijn uitgangspunt in het integratiedebat.’


‘Wouter zei de hele tijd: “Ken jij de partijlijn wel?” Dan zei ik: “Ja Wouter, dat is het document van wijlen burgemeester Patijn van Amsterdam, daar kon ik me heel goed in vinden, daar stond dit in.” Bos zat met Dijsselbloem op de lijn van aanscherping. Bij PvdA-wethouders ontmoette ik alleen maar heel veel positieve reacties op mijn streven om ontspanning in dat debat te brengen en weg te komen van die polarisatie en dat wij-zij-denken. Die wethouders haalden opgelucht adem omdat ze op lokaal niveau ontspannen aan verbinding konden gaan werken. Ik dacht: Ik ben toch niet stom of doof, ik ontmoet al die mensen die dat tegen mij zeggen. Er is veel aanhang voor mijn benadering binnen de PvdA op lokaal niveau.‘

‘De woordkeuze en de toon is ontzettend belangrijk in dit debat. Afhankelijk van die toon geef je aan of je mensen wil insluiten of uitsluiten. Samen met minister van Justitie Hirsch Ballin wilde ik ook af van het gebruik van het woord allochtoon. We wilden net als in Amerika praten over bijvoorbeeld Marokkaanse Nederlanders. Wouter vond dat belachelijk, dat hoefde niet. Maar in de bijgestelde nota heeft het partijbestuur nu het woord allochtonen vervangen door Nieuwe Nederlanders. Het lijkt peanuts, maar ik ben ervan overtuigd dat het belangrijk is.’

Corporaties
‘Ik had een ongelukkige start. Voordat ik op het bordes stond was mij al duidelijk dat de financiering van de veertig wijken volstrekt onhelder geregeld was. Beter gezegd: er was geen financiering, behalve dat ik een greep in de gemeentekas moest doen en geld moest gaan halen bij de corporaties. Later bleek dat dat nog niet eens voor de wijkaanpak bedoeld was, maar voor de schatkist, gewoon bizar. Ik ben een jaar lang aan het vechten geweest met corporaties en met Bos om die financiering geregeld te krijgen. De corporaties hadden een punt toen ze zeiden dat dat rondpompen van geld onzin was. Mijn inzet naar Bos was om dat te voorkomen. Ik heb ontzettend moeten lobbyen en vechten binnen het kabinet om die ruimte te krijgen. Het betekende dat corporaties met elkaar extra gingen investeren in die veertig wijken. En ik kreeg extra geld op mijn begroting om de  bewonersparticipatie te kunnen stimuleren.’

Welzijnswerk
‘Mijn kritiek op het welzijnswerk is dat het vaak de verantwoordelijkheid van mensen overneemt. Ze moeten mensen hun eigen kracht helpen vinden, zodat ze weer geloven in eigen kunnen en zich weer staande houden in het leven. Welzijnsinstellingen moeten niet denken dat ze dat alleen kunnen. Ze moeten samenwerken met de schuldhulpverlening, de inburgering. Hoe kan je zorgen dat je outreachend werkt? Hoe kun je de verkokering tussen instituties doorbreken? Niet jij bedenkt de oplossingen, maar dat doe je in gesprek met de mensen. En verder hoor ik steeds dat professionals gek worden van de projectencarrousel. Er moet dus een basisinfrastructuur komen die al die projecten voorkomt. Dat moet het resultaat van die wijkaanpak zijn: vaststellen op welke infrastructuur bewoners terug kunnen vallen. Want er zal altijd een groep zijn die het niet op eigen kracht kan.’

‘Een goed voorbeeld is het Frontlijnteam in Leeuwarden, een hartstikke leuk team. Toen het van start ging, waren we daar. Iemand vroeg aan de coördinator: “En wat staat er in uw agenda als u maandag begint?” Zegt die man: “Ik heb een lege agenda. Ik ga gewoon de mensen opzoeken en naar ze luisteren.” Dat vond ik ontzettend goed. Om die omkering gaat het: als beleidsmakers en professionals zijn wij gewend de agenda te maken. Wij bepalen wat de problemen zijn en hoe ze aangepakt moeten worden, maar het moet helemaal omgekeerd. Eerst luisteren naar die bewoners en inburgeraars. Ga met een lege agenda het gesprek aan en vraag: hoe denkt u dat we het samen op kunnen lossen? Of nog beter: hoe kunt u dit oplossen en kan ik u erbij helpen?’

Dit artikel staat in Zorg + Welzijn Magazine nummer 3, maart 2009.

Martin Zuithof

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden