Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Dementieconsulent wil ouderen zo lang mogelijk in eigen omgeving laten wonen: Relaties bouwen op vertrouwen

‘Het is erg belangrijk om dementerenden zo vroeg mogelijk te begeleiden,’ zegt Marjan van Dijk. Als één van de drie dementieconsulenten in Tilburg volgt ze het ziekteproces op de voet om zo veel mogelijk praktische zorg aan te kunnen bieden. Daarbij is de gebrekkige samenwerking met verwijzers als huisartsen en professionals in de ggz nog een obstakel.

Duitse Schlagers schallen net iets te hard uit de radio. Drie soorten koekjes liggen keurig geordend op het schaaltje. De huiskamer ziet er piekfijn uit. Net zoals meneer Van Brunschot zelf. Vandaag krijgt hij bezoek. ‘U mag Sjon zeggen,’ glundert de 77-jarige.
‘Ik zeg altijd meneer Van Brunschot, en weet u ook waarom dat is?’ Marjan van Dijk spreekt meneer Van Brunschot duidelijk formulerend aan. Even lijkt de bejaarde man in verwarring. ‘Omdat ik u advies geef,’ verklaart Marjan. ‘Ik moet onafhankelijk blijven en als ik uw vriendin word, dan ben ik niet meer onafhankelijk.’ Meneer Van Brunschot geeft een teken van herkenning. ‘Toen u vroeger ober was, moest u toch ook altijd een beetje afstand houden? En ook een beetje dichtbij staan?’

Van Dijk is een van de drie dementieconsulenten die deel uitmaken van een gelijknamig project in Tilburg. Het doel is dementerenden zo lang mogelijk in hun eigen omgeving te laten en de zorg thuis zo optimaal mogelijk te organiseren. De dementieconsulent de belangenbehartiger en de begeleider van de cliënt en zijn omgeving. Dat betekent dat deze zowel zorg draagt voor ‘zorg op maat’ voor de cliënt als het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger.

Woud van zorgregels

‘Vind u het vervelend om over uw vrouw Erna te praten?’ probeert Marjan het geheugen van meneer Van Brunschot te activeren. De blik van de 77-jarige glijdt langs de drie foto’s die op het dressoir staan. ‘Nee, ik heb een schat van een vrouw. Ik heb haar ontmoet in Hamburg, toen ik nog bij de koopvaardij zat. Ze is Duitse. Het was liefde op het eerste gezicht. Ze heeft mij altijd goed verzorgd en ik haar.’

De dood van zijn vrouw, anderhalf jaar geleden, kwam plotseling. Meneer Van Brunschot lag in het ziekenhuis voor een grote vaatoperatie. ‘De vijfde dag kwam ze niet meer op bezoek.’ In het ziekenhuis werd een lichte vorm van dementie geconstateerd. Toen meneer Van Brunschot na vijf maanden weer naar huis mocht, zou hij naar een verzorgingshuis gaan. Maar dat wilde hij niet. Mieke, een kennis uit het ziekenhuis, kwam te hulp. Zij zorgde dat Van Brunschot naar huis kon en daar hulp kreeg. De ggz-consulente van het ziekenhuis seinde de dementieconsulent in. Marjan van Dijk coördineert nu de zorg voor meneer Van Brunschot, van de geriater, tot de thuiszorg en de medicatie. ‘Hij staat op de wachtlijst voor het verzorgingshuis.’ Maar daar wil Van Brunschot nog niks van weten: ‘Ik kan daar m’n spullen niet kwijt, het is zo klein.’

Kenmerkend is dat de dementieconsulent zonder enige indicatie door een dementerende, een mantelzorger of een hulpverlener opgeroepen kan worden. ‘Als een cliënt belt, staan we een week later voor de deur,’ zegt Marjan van Dijk. ‘Wij zijn onafhankelijk en laagdrempelig en dat is een belangrijke voorwaarde voor het werk. We zijn er voor de cliënt, bekijken samen met hem wat er nodig is. Dat kan ook via een eenmalig gesprek met de mantelzorger, die advies wil hebben. Maar het kan evengoed een begeleidingsproces zijn naar een opname in een verpleeghuis.’ Het gaat om vraaggestuurde zorg en dan blijkt het volgens Marjan van Dijk beter te werken als de consulent niet aan een instelling gekoppeld is. ‘Omdat je dan weer aanbodgericht werkt: dit hebben wij te bieden’. Niettemin staan de dementieconsulenten op de loonlijst van het zorgcentrum Tilburg-Zuid. ‘Omdat, naast de gemeente, ook het zorgkantoor het project financiert met AWBZ-geld. Daarom moest een AWBZ-werkgever gevonden worden.’
Aanleiding voor het Tilburgse project waren wensen van mantelzorgers. In een regionaal onderzoek in 1988 gaven zij aan behoefte te hebben aan een vertrouwenspersoon, een belangenbehartiger, iemand die de weg weet in het woud van zorgregels. Daarop is een projectplan geschreven in samenwerking met de gemeente voor de dementieconsulent. In maart 2003 zijn drie consulenten daadwerkelijk met hun werk begonnen.

Vertrouwensband

De dementieconsulent is niet zelden ook voor de zorgverleners een vraag- en adviesbaak: ‘We maken bijvoorbeeld met de thuiszorgmedewerkers afspraken over hoe je het beste met de demente cliënt om kan gaan.’
Na een jaar proefdraaien is de conclusie volgens Marjan van Dijk dat de laagdrempeligheid een belangrijke voorwaarde is: ‘Mensen kunnen zelf de telefoon pakken en ons om advies vragen. Instanties zijn vooral bezig met de ziekte. Wij kijken minder naar de ziekte en meer naar het proces waarin de ziekte zich voltrekt. En naar de omgeving van de cliënt. Daar is ook onze begeleiding op gericht; praktische zorg en anticiperen op de ontwikkelingen rondom het ziekteproces.’

Hindernissen voor de dementieconsulenten, zo leert het afgelopen jaar, zijn vooral de contacten met professionals, de geestelijke gezondheidszorg en de huisartsen. ‘De samenwerking met de ggz verloopt wat stroef. Ze hebben het idee dat er weer een zorglaag tussen is geschoven en vinden dat wij hetzelfde doen. Maar dat is niet zo. Als de problemen van de cliënt niet te complex zijn, kunnen wij begeleiding geven. De beroepskrachten van de ggz sluiten de begeleiding af als alles goed verloopt. Wij blijven het proces volgen en komen wat minder vaak over de vloer als de zorg rustig verloopt.’
Ook huisartsen zijn moeilijk te benaderen, vertelt Marjan van Dijk. Ondanks de uitgebreide informatiecampagne door de gemeente bij de start van het project, weten de meeste huisartsen de dementieconsulent niet te vinden. ‘Terwijl juist de huisarts vaak het eerste station is waar dementie geconstateerd wordt en mensen doorgestuurd kunnen worden voor verdere diagnose. We zijn nu begonnen de betreffende huisarts aan te schrijven als we de zorg van een patiënt op ons nemen. We hopen dat de arts dan bij een volgende patiënt aan ons denkt. Want het is zó belangrijk om zo vroeg mogelijk met de begeleiding te beginnen.’

‘We hebben veel gepraat over uw vrouw Erna, hè meneer Van Brunschot? We hebben samen foto’s gekeken en ik kreeg een beeld van wie hij was,’ vertelt Marjan van Dijk. ‘Er kwam ook veel verdriet boven. Hij is erg eenzaam nu zijn vrouw is overleden. Van Brunschot kreeg last van hartkloppingen en hyperventilatie. Hij belde om de haverklap de dokter. We hebben toen samen naar een oplossing gezocht. Meneer van Brunschot gaat nu bij het verzorgingshuis hier schuin aan de overkant eten. En we zijn op bezoek geweest bij de dagactiviteit van een zorgboerderij. Daar gaat hij nu ook één keer in de week naar toe. Met de thuiszorg is afgesproken om avondhulp in te schakelen. Die komt kijken of hij ook zijn boterham eet ’s avonds. Ook wordt de televisie aangezet, zodat Van Brunschot weet dat hij de avond nog door moet. Anders gaat hij al om zes uur naar bed, waardoor het hele dag- en nachtritme door de war gaat.’

Meneer Van Brunschot zit er een beetje vermoeid bij. ‘Ik vind het wel leuk als er mensen zijn.’ Marjan: ‘We hebben de mogelijkheid van het verzorgingshuis open gelaten. Meneer Van Brunschot maakt zelf de keuze. Wij bespreken samen wat de gevolgen van die keuzes zijn.’ Op tafel ligt het overdrachtsschrift van de zorgboerderij: ‘Vandaag was meneer een beetje stilletjes.’ Meneer van Brunschot is lovend over de dagactiviteiten: ‘Die hebben me zo goed geholpen… ze hebben daar op de zorgboerderij veel met me op.’

De vertrouwensband is de belangrijke basis voor het contact tussen dementieconsulent en cliënt. ‘We zijn er voor de cliënt, respecteren zijn wensen voor zover dat leidt tot verantwoorde zorg.’ Dat vertrouwen is ook belangrijk voor de adviezen die de consulenten geven. Opname in een verpleeghuis is vaak een onontkoombare, maar moeilijk te accepteren weg. Voor de dementerende én voor de mantelzorger. ‘Wij begeleiden mensen dan naar de uiteindelijke opname. Soms bestaat er een irreëel beeld over wat de dementerende of de mantelzorger zelf nog kan. In gesprekken proberen we dan te achterhalen waarom iemand zo pertinent tegen opname is. Bij mantelzorgers zie je vaak dat schaamte een grote rol speelt. Men wil de zorg niet uit handen geven. Dan blijkt bijvoorbeeld dat de vrouw altijd voor de ouders heeft gezorgd, waarom dan niet voor de demente echtgenoot? Als mensen merken dat je ze serieus neemt, zijn ze ook in staat met ons naar mogelijke oplossingen voor de problemen te zoeken.’

Carolien Stam

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden