Het jongerenwerk is vooral gericht op overlastgevende jongens. Voor meiden is er minder aandacht, terwijl er steeds meer signalen zijn dat deze groep behoefte heeft aan ondersteuning en activiteit. Waarom komt het meidenwerk zo moeilijk van de grond?
Waarom zijn er voor ons zo weinig activiteiten? Waarom is er alleen aandacht voor de groep die veel overlast geeft en niet voor mensen die weinig problemen veroorzaken?’ Die vragen kreeg het Utrechtse PvdA-raadslid Gadiza Bouazani op zich afgevuurd toen ze met een aantal meiden uit (achterstands)wijken in de stad sprak. Omdat ze al eerder dergelijke signalen had gekregen, zocht ze contact met meiden- en jongerenwerkers. Samen met GroenLinks-raadslid Nikki Schippers diende Bouazani afgelopen mei een notitie over het onderwerp in bij het college van B&W.
De Utrechtse meiden blijken onder andere behoefte te hebben aan zelfverdediging, naaiclubjes, culturele activiteiten en voorlichting over alles waar meiden in de puberteit mee te maken kunnen krijgen. Aanbod dat, net als in veel andere steden, in Utrecht voor een groot deel ontbreekt. Volgens Bouazani is dat wel hard nodig. ‘Veel meiden hebben problemen die niet meteen zichtbaar zijn. Ze krijgen te maken met loverboys en prostitutie, hebben vragen over seksualiteit. Daar kunnen ze niet met hun ouders over praten. Om een sterke, weerbare en gezonde groep vrouwen te garanderen, is die aandacht wel nodig. Anders laat je problemen die er al zijn uitgroeien tot nog veel ernstigere problemen.’
Laag zelfbeeld
Het onderwerp dat Bouazani in haar notitie aanroert, is niet onbekend in het jongerenwerk. Jongerenorganisatie Youth for Christ signaleerde al jaren geleden binnen verschillende YfC|The Mall jongerencentra dat het meidenwerk achterliep op activiteiten voor jongens en startte diverse programma’s voor deze doelgroep. Jolanda van Roosendaal, meidenspecialist/ontwikkelingspsycholoog bij YfC: ‘We signaleerden verschillende problemen bij meiden, zoals een laag zelfbeeld, risicovolle relaties en een sterke gerichtheid op uiterlijkheden. Uit Trimbos-onderzoek van 2005 blijkt dat een kwart van de meiden van tussen de 12 en de 18 jaar serieuze emotionele problemen heeft. En dat geldt niet alleen voor de groep in de grote steden. Tegelijkertijd constateerden we dat we de meiden weinig in de centra zagen. Het aanbod was te sterk op jongens gericht.’
Afgelopen mei lanceerde YfC de speciaal voor meiden ontwikkelde methodiek SuperWoman (zie kader). Die wordt inmiddels ook door veel andere welzijnsorganisaties gebruikt. Over de trainingen voor jongerenwerkers van andere instellingen zegt Van Roosendaal: ‘Jongerenwerkers zijn blij met een methodiek waarmee ze activiteiten voor meiden kunnen opstarten. In onze training kunnen ze eindelijk hun ervaringen delen en uitwisselen. Daar is veel behoefte aan.’
Ook bij het ministerie blijkt er, na enige navraag, iets over de kwestie bekend. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) doet in het kader van vrouwenemancipatie niets met het onderwerp. Maar bij het programmaministerie voor Jeugd en Gezin verscheen juni 2009 de notitie ‘Onze Jeugd van tegenwoordig’, met een apart hoofdstuk over de problemen van meisjes. ‘Het is het ministerie bekend dat er over het algemeen meer aandacht aan jongens wordt besteed omdat die overlast veroorzaken. De problematiek bij meisjes is vaak naar binnen gericht en voor de buitenwereld dus minder zichtbaar en merkbaar’, schrijft de woordvoerder van de minister in een e-mail. De minister doet in de notitie een oproep aan alle professionals die met jeugd werken om daar alert op te zijn. Concrete actie of beleid op dit punt is er echter nog niet.
Weinig concreets
Waarom komt het meidenwerk zo moeilijk van de grond? De Utrechtse welzijnsorganisatie Stichting Doenja Dienstverlening laat weten dat een gemeenschappelijke aanpak en visie tussen welzijnswerk en gemeente van essentieel belang is. De gemeente Utrecht wil werk maken van de aanbevelingen van Boua-zani. Omdat Doenja Dienstverlening momenteel de jaarlijkse subsidiebesprekingen met de gemeente voert, wil ze verder weinig concreets loslaten over de mogelijke opstart van voorzieningen voor meiden. ‘Maar we herkennen de problematiek wel’, zegt persvoorlichter Karin Ter Steege. ‘Er zijn tweemaal zoveel voorzieningen voor jongens als voor meisjes. Wat overigens niet wil zeggen dat we helemaal niets voor meisjes doen.’
Communicatiebureau YoungWorks deed vorig jaar op verzoek van Doenja Dienstverlening en de gemeente Utrecht onderzoek naar het aanbod van de activiteiten voor jongeren in de vrij nieuwe wijk Utrechtse wijk Leidsche Rijn. Ook de conclusie van dit onderzoek was dat het meidenwerk achterliep op de activiteiten voor jongens. ‘De voorzieningen zijn te veel gebaseerd op de vraag: hoe gaan we om met de overlast van de jeugd?’, verklaart Jan Sprengers, senior adviseur jongerenparticipatie van YoungWorks. ‘Zo zijn er voor jongens speciale hangplekken en voetbalveldjes. Dat zijn ook echt de domeinen van jongens. Meiden komen daar niet. Die hebben soms echt iets anders nodig. Ze willen tekenen, schrijven, dansen of een naaiclubje. En ook voetbal, maar dan wel speciaal en alleen voor meiden.’
Geïntimideerd
Het blijkt ook lastig om meiden te bereiken en binnen te halen. Bouazani schrijft in haar notitie dat veel meiden zich geïntimideerd voelen door de jongens. Of ze mogen van hun ouders niet op plekken komen als er jongens zijn. Bij YfC|The Mall in de Amsterdamse wijk De Baarsjes constateerden ze ook ‘dat de meiden een extra zetje nodig hadden’. Maar ze wisten het probleem wel op te lossen. Jongerenwerkster Ietje Melis: ‘In The Mall, onze jongerensociëteit, zagen we weinig meiden. We hebben toen speciale activiteiten voor meiden georganiseerd rond sport, gezondheid en bewegen. Dat was een groot succes. Er kwamen heel veel meiden op af. Ze kwamen toen vanzelf vaker in The Mall, omdat het dezelfde ruimte is. Ook van hun ouders mogen ze nu komen, omdat die weten dat het veilig en vertrouwd is.’
Met (alleen) activiteiten organiseren die goed aansluiten op de juiste doelgroep zijn jongerenorganisaties er echter nog niet, zo zegt Jan Sprengers van YoungWorks. ‘Een ander probleem is dat het aanbod vaak niet bekend is bij jongeren. Zo stonden de activiteiten van Doenja Dienstverlening in Leidsche Rijn eerst allemaal op één flyer. De jongeren die betrokken waren bij het onderzoek, kenden die flyer niet. Ze voelden zich er ook niet toe aangetrokken. Het is beter om aan te sluiten bij bestaande netwerken van jongeren, zoals internet of de school.’
Dit artikel in Zorg + Welzijn Magazine nummer 2, februari 2010.
door
Sigrid Starremans
1 feb 2010
laatste update:1 jun 2010